Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR4992

Datum uitspraak2004-10-20
Datum gepubliceerd2004-11-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/777 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen recht op een verlengde uitkering op grond van de ZW: niet arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap en/of bevalling. Stellingen zijn niet onderbouwd met gegevens van medische aard.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/777 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 16 oktober 2001 is appellante ervan in kennis gesteld dat zij op grond van artikel 29a van de Ziektewet (ZW) geen recht heeft op verlengde Ziektewetuitkering. Bij besluit van 23 mei 2002 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen voormeld besluit ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak (ZW 02/1372-OOST) van 11 februari 2003 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Namens appellante is mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 28 mei 2004 heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat te Rotterdam, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 september 2004, waar appellante, met voorafgaand bericht, niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de feiten en omstandigheden die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft aangenomen en waarvan de juistheid niet door partijen is betwist. In dit geding moet de vraag worden beantwoord of gedaagde terecht heeft besloten dat appellante geen recht heeft op een verlengde uitkering op grond van de ZW, omdat appellante niet arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap en/of bevalling. De rechtbank heeft die vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord en daartoe - kort gezegd - overwogen geen aanleiding te zien de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts en het in het bestreden besluit aangehaalde standpunt van gedaagde in twijfel te trekken. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd vormt geen reden voor een andersluidend oordeel. De Raad constateert daarbij dat appellante haar stellingen, zowel in beroep als in hoger beroep, niet heeft onderbouwd met gegevens van medische aard die aanleiding geven te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de onderzoeken en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. Ch.J.G. Olde Kalter in tegenwoordigheid van J. Verrips en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2004. (get.) Ch.J.G. Olde Kalter. (get.) J. Verrips.