Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR5038

Datum uitspraak2004-09-07
Datum gepubliceerd2004-11-03
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200400138
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verhuurder niet ontvankelijk in verzoek tot goedkeuring voor een afwijkend beding in een vierde achtereenvolgende huurovereenkomst, nu dat verzoek te laat is ingediend bij de kantonrechter. Dat de laatste goedgekeurde overeenkomst een looptijd had van slechts één jaar (van 1 oktober 2002 tot 1 oktober 2003) en in artikel 7:301 lid 3 BW wordt gesproken van een overeenkomst van twee jaar, doet daaraan niet af. Deze laatste termijn moet, in samenhang met het eerste lid van artikel 7:301 BW en de huurdersbeschermende strekking van de wet, in de omstandigheden van het geval worden uitgelegd als een termijn waarvoor de laatste overeenkomst gold. Vervolg op LJN AQ 5813.


Uitspraak

7 september 2004 Zevende kamer Rekestnummer R200400138 GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH Beschikking In de zaak in hoger beroep van: [verhuurder], gevestigd te [plaats], appellante, verder [verhuurder] te noemen, procureur mr. J.L.M. van Gastel, t e g e n : [huurder], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, verder [huurder] te noemen, procureur mr. E.H.H. Schelhaas. Als vervolg op de op 8 juni 2004 door het hof tussen partijen gegeven beschikking. 6. De beschikking van 8 juni 2004 Bij deze beschikking heeft het hof overwogen dat het tot de kantonrechter gerichte verzoek tot goedkeuring van een afwijkend beding in een nieuwe huurovereenkomst mogelijk niet tijdig bij de kantonrechter is ingediend. Het hof heeft partijen geconfronteerd met het bepaalde in artikel 7:301 lid 2 BW, waardoor mogelijkerwijs van rechtswege een huurovereenkomst is gaan gelden van vijf jaren. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich over dat mogelijke gevolg uit te laten. Voorts heeft het hof bepaald dat [verhuurder] alle tussen partijen gesloten huurovereenkomsten in het geding dient te brengen. 7. Het verdere verloop van de procedure Het hof heeft nadien kennisgenomen van: - de brief met bijlagen van mr. Van Gastel van 1 juli 2004, alsmede van diens faxbericht met bijlagen van 7 juli 2004; - de brief van mr. Schelhaas van 6 juli 2004. 8. De verdere beoordeling 8.1. Het hof stelt allereerst vast dat in het dictum van zijn beschikking van 8 juni 2004 een verschrijving voorkomt. Daarin wordt namelijk gesproken van "rechtsoverweging 4.10. en 4.11.", terwijl dat - zoals partijen dat overigens ook hebben begrepen - "rechtsoverweging 4.11. en 4.12." had behoren te zijn. Het hof verbetert deze verschrijving bij deze en volhardt voor het overige bij hetgeen in die beschikking is overwogen. 8.2. Uit voormelde correspondentie blijkt dat er tussen partijen reeds sprake is geweest van een drietal opeenvolgende huurovereenkomsten: - een huurovereenkomst van 1 oktober 1997 tot 1 oktober 2000; - een huurovereenkomst van 1 oktober 2000 tot 1 oktober 2002; - een huurovereenkomst van 1 oktober 2002 tot 1 oktober 2003. Inzet van dit geding in hoger beroep is het verzoek van [verhuurder] aan de kantonrechter tot goedkeuring voor een afwijkend beding in een (vierde) huurovereenkomst, lopend van 1 oktober 2003 tot 1 oktober 2005. 8.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:301 lid 3 BW dient het verzoek tot goedkeuring voor deze laatste overeenkomst te zijn ingediend vóór het verstrijken van de laatste overeenkomst, derhalve vóór 1 oktober 2003. Dat de laatste goedgekeurde overeenkomst een looptijd had van slechts één jaar (van 1 oktober 2002 tot 1 oktober 2003) en in het betreffende artikellid wordt gesproken van een overeenkomst van twee jaar, doet daaraan niet af. Deze laatste termijn moet, in samenhang met het eerste lid van artikel 7:301 BW en de huurdersbeschermende strekking van de wet, in de omstandigheden van het geval worden uitgelegd als een termijn waarvoor de laatste overeenkomst gold. 8.4. Namens [verhuurder] wordt in de bovengemelde brief van 1 juli 2004 gesteld dat het hof constateert, dat het verzoek tot goedkeuring op 29 september (2003) aan de kantonrechter werd verzonden, doch eerst op 1 oktober (2003) ter griffie is binnengekomen. [Verhuurder] stelt zich op het standpunt dat de griffie kennelijk de via de postbus binnengekomen post te laat heeft afgestempeld en dat zulks voor de kantonrechter reden is geweest om geen termijnoverschrijding aan te nemen. 8.5. Het hof kan [verhuurder] hierin niet volgen. Diens stelling dat het hof constateert dat het verzoek op 29 september 2003 aan de kantonrechter is verzonden, berust op een onjuiste lezing van de beschikking van het hof. De kantonrechter heeft dit ook niet vastgesteld. Hij heeft slechts vastgesteld dat de huurovereenkomst, welke het goed te keuren afwijkende beding bevat, dateert van 29 september 2003. Wat echter wél vastgesteld kan worden, is dat de aan de kantonrechter gerichte brief met het verzoek tot goedkeuring eveneens dateert van (maandag) 29 september 2003. Daarmee staat echter nog niet vast, dat die brief ook op die betreffende maandag is gepost, althans niet dat dit is gebeurd vóór de laatste lichting van die dag. En zelfs indien dat wél vast zou komen staan, staat daarmee nog niet vast dat het verzoek vóór (woensdag) 1 oktober 2003 door de kantonrechter c.q. de griffie van de rechtbank is ontvangen. Evenmin is gesteld of gebleken dat [verhuurder] of zijn advocaat op 30 september 2003 bij de griffie hebben geverifieerd of het verzoek de griffie tijdig (vóór 1 oktober 2003) heeft bereikt. [Verhuurder] heeft zijn stelling dat de betreffende griffie het verzoek te laat heeft afgestempeld daarmee niet aannemelijk gemaakt en overigens ook niet te bewijzen aangeboden. 8.6. Het hof dient er derhalve van uit te gaan, dat het verzoek eerst op 1 oktober 2003 - en derhalve te laat - ter griffie is binnengekomen. [Verhuurder] is dan niet-ontvankelijk in zijn verzoek. 8.7. Het hof heeft in zijn eerdere tussenbeschikking partijen onder voorbehoud gewezen op het mogelijke rechtsgevolg dat daardoor ingevolge het bepaalde in artikel 7:301 lid 2 BW ontstaat en heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Uit de sedertdien van partijen ontvangen correspondentie leidt het hof af, dat zij nog immer van mening verschillen over de mogelijke rechtsgevolgen van het te laat indienen van het goedkeuringsverzoek. Geen van partijen heeft evenwel aanleiding gezien het hof (aanvullend) te verzoeken om op dit punt een beslissing te geven (zo dit rechtens toelaatbaar zou zijn, gelet op de slotwoorden van artikel 362 Rv). 9. De uitspraak Het hof: vernietigt de beschikking waarvan beroep; en opnieuw rechtdoende: verklaart [verhuurder] alsnog niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Etten, Drijkoningen en Den Hartog Jager en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 7 september 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.