Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR5187

Datum uitspraak2004-09-01
Datum gepubliceerd2004-11-04
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 04/00883
Statusgepubliceerd


Indicatie

Undue delay; Tussen de brief van de griffier van de rechtbank omtrent zekerheidstelling en de beslissing van de kantonrechter is een periode van dertien maanden verstreken. Deze periode wordt gekenmerkt door inactiviteit van de zijde van de justitie. Voor dit tijdsverloop is geen aanwijsbare en aanvaardbare oorzaak. Dit brengt mee, dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, te meer nu geenszins blijkt van compensatie door een grote mate van voortvarendheid in het vervolg van de procedure.


Uitspraak

WAHV 04/00883 1 september 2004 CJIB 99052505985 Gerechtshof te Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam van 18 december 2003 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), gevestigd te [plaatsnaam] 1. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. 3. Beoordeling 3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 52,-- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (verkeersbord A1); meer dan 15 km/h en t/m 20 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 16 juni 2002 op de A13 te Rotterdam. 3.2. De betrokkene voert aan dat de zaak overjarig is, zodat de zaak moet worden geseponeerd. 3.3. Uit het dossier blijkt het volgende. Bij brief van 11 juli 2002 is de betrokkene in beroep gekomen bij de officier van justitie tegen de inleidende beschikking d.d. 10 juli 2002. Op 24 september 2002 zijn blijkens een daarop geplaatste stempel foto's van de gedraging ontvangen bij het Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie, afdeling Straf- en Beroepszaken Unit Mulder. Bij brief van 25 september 2002 zendt de officier van justitie zijn beslissing aan de betrokkene. Bij brief van 16 oktober 2002, ingekomen op 17 oktober 2002, gaat de betrokkene in beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 4 oktober 2002. Bij brief van 22 oktober 2002 heeft de officier van justitie de betrokkene mededeling gedaan van de verplichting tot het stellen van zekerheid voor de betaling van de opgelegde sanctie. In reactie vraagt de betrokkene bij brief van 29 oktober 2002 de betaling na de beslissing van de kantonrechter te laten plaatsvinden. Vervolgens heeft de officier van justitie de betrokkene bij brief van 6 november 2002 opnieuw mededeling gedaan van de verplichting tot het stellen van zekerheid. De betrokkene gaat er in zijn brief van 13 november 2002 vanuit dat zijn beroep wordt behandeld en hij voert daarin aan dat hij niet hoeft te betalen omdat hij geen grove fouten heeft begaan. Vervolgens is de betrokkene door de griffier van de rechtbank nogmaals een brief omtrent de zekerheidstelling van 15 november 2002 gezonden. Bij brief van 1 september 2003 verzoekt de officier van justitie het CJIB na te gaan of de betrokkene zekerheid heeft gesteld. Bij brief van 5 september 2003 bericht het CJIB dat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld. Op 22 december 2003 is de beslissing van de kantonrechter d.d. 18 december 2003 aan de betrokkene gezonden. Op 7 januari 2004 is het hoger beroepschrift van de betrokkene ontvangen. De griffier van de rechtbank bevestigt de ontvangst van het beroepschrift bij brief van 26 juli 2004. Op 27 juli 2004 heeft het hof het dossier ontvangen. Bij brief van 17 augustus 2004 heeft de advocaat-generaal medegedeeld dat hij geen verweerschrift indient. 3.4. Het hof overweegt dat na de brief omtrent de zekerheidstelling van de griffier van de rechtbank aan de betrokkene van 15 november 2002 tot het nemen van de beslissing door de kantonrechter op 18 december 2003 een periode van 13 maanden is verstreken. Deze periode wordt gekenmerkt door inactiviteit van de zijde van justitie. Voor dit tijdsverloop is geen aanwijsbare en aanvaardbare oorzaak. Dit brengt mee dat, de redelijke termijn van berechting naar het oordeel van het hof is overschreden, te meer nu geenszins blijkt van compensatie door een grotere mate van voortvarendheid in het vervolg van de procedure. 3.5. De inleidende beschikking dient derhalve te worden vernietigd. 3.6. Niet gebleken is dat de betrokkene kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. 4. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; vernietigt de beslissing van de officier van justitie van 4 oktober 2002 alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 99052505985 de administratieve sanctie is opgelegd. Dit arrest is gewezen door mr. Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Bijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.