Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR5226

Datum uitspraak2004-11-03
Datum gepubliceerd2004-11-05
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/4246 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Is terecht bepaald dat de WAO-uitkering van betrokkene over de relevante jaren terugwerkende kracht niet wordt uitbetaald en dat de onverschuldigd betaalde uitkering wordt teruggevorderd? Inkomsten uit arbeid (hennepplantage).


Uitspraak

02/4246 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. W. Searle, advocaat te Hoorn, op bij hoger beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar onder nummer WAO 01/508 op 27 juni 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 22 september 2004, waar appellant noch zijn raadsman zijn verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J. Knufman, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Aan appellant is met ingang van 14 januari 1997 een uitkering op grond van de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 5 augustus 1998 is deze uitkering herzien in die zin, dat de uitkering werd uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Naar aanleiding van een melding van de politie Noord-Holland Noord dat appellant terwijl hij uitkering ontving een hennepplantage zou hebben gehad heeft gedaagde de opsporingsdienst regio Noord-West een onderzoek laten instellen. Op 16 november 1999 is door deze opsporingsdienst het rapport werknemersfraude uitgebracht, waarin is geconcludeerd dat appellant van januari tot en met juni 1999 in de woning van zijn vriendin te [woonplaats 2] een hennepplantage heeft opgezet en verzorgd en dat hij gedurende de periode 21 januari 1997 tot 12 oktober 1999 in zijn eigen woning te [woonplaats] een hennepplantage heeft opgezet en verzorgd waarmee hij een wederrechtelijk voordeel heeft genoten, welke werkzaamheden en/of inkomsten hij niet of niet volledig aan de uitkeringsinstantie heeft gemeld. De opsporingsfunctionaris schatte het aantal oogsten op 9 en het hiermee wederrechtelijk verkregen voordeel op f 205.000,--. In verband met deze inkomsten uit arbeid heeft gedaagde bij besluiten van 10 april 2000 bepaald dat de WAO-uitkering van appellant over de jaren 1997, 1998 en de periode 1 januari 1999 tot 1 oktober 1999 met terugwerkende kracht niet wordt uitbetaald. Bij besluit van 19 april 2000 heeft gedaagde de over de periode van 14 januari 1997 tot 1 oktober 1999 onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van f 76.448,33 (€ 34.690,74) teruggevorderd. Deze besluiten zijn bij het bestreden besluit van 1 februari 2001 gehandhaafd. Het door appellant daartegen ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Appellant heeft voor de gronden van zijn hoger beroep verwezen naar hetgeen hij in zijn beroepschrift aan de rechtbank had aangevoerd. De rechtbank heeft dat beroep op naar het oordeel van de Raad goede gronden verworpen. De Raad sluit zich bij de overwegingen van de rechtbank aan en voegt daaraan slechts toe, dat appellant ook in hoger beroep geen afdoende verklaring heeft gegeven voor het in de jaren 1997 en 1998 excessieve stroomgebruik van het pand waarin de plantage was gevestigd. Dat appellant met die plantage pas in januari 1999 is begonnen is door hem geenszins aannemelijk gemaakt. Appellant heeft evenmin concrete, betrouwbare en verifieerbare gegevens overgelegd die de door gedaagde gemaakte schatting van zijn inkomsten aantasten. Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht zijn geen termen aanwezig. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2004. (get.) M.A. Hoogeveen (get.) J.P. Grauss RB0111