Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR5429

Datum uitspraak2004-11-03
Datum gepubliceerd2004-11-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200407786/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 5 augustus 2004 heeft verweerder krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan verzoekster vergunning verleend voor het lozen van afvalwater op de 3e Petroleumhaven te Rotterdam, afkomstig van de inrichting van verzoekster aan de [locatie] te Rotterdam. Dit besluit is op 6 augustus 2004 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200407786/2. Datum uitspraak: 3 november 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekster], gevestigd te [plaats], en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 5 augustus 2004 heeft verweerder krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan verzoekster vergunning verleend voor het lozen van afvalwater op de 3e Petroleumhaven te Rotterdam, afkomstig van de inrichting van verzoekster aan de [locatie] te Rotterdam. Dit besluit is op 6 augustus 2004 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 15 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Bij brief van 15 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 oktober 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Den Haag, en ir. H.J.M. Tholen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.M. van Hoorn en ing. E.H. Nelisse, gemachtigden, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2.    Verzoekster verlangt schorsing van de aan de vergunning verbonden voorschriften 7, 8 en 12. Verweerder heeft ter zitting aangegeven verzoekster ter zake van het voldoen aan deze voorschriften uitstel te verlenen, totdat de Afdeling op verzoeksters beroep uitspraak heeft gedaan. Gelet hierop acht de Voorzitter een spoedeisend belang bij schorsing van het besluit in zoverre niet (langer) aanwezig. 2.3.    Bij verzoekster bestaat onduidelijkheid over het aan de vergunning verbonden voorschrift 11. Ter zitting is gebleken dat verweerder en verzoekster aan dit voorschrift dezelfde uitleg geven, inhoudende dat met het uitvoering geven aan de als bijlage 7 bij de vergunning opgenomen “Werkinstructie Acceptatie en Verwerking afvalwater in de AWZI” wordt voldaan aan dit voorschrift. Volgens verzoekster is deze uitleg in overeenstemming met hetgeen zij voor wenselijk houdt. De Voorzitter trekt hieruit de conclusie dat verzoekster geen belang (meer) heeft bij schorsing van het besluit in zoverre. 2.4.    Er bestaat mitsdien geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De Voorzitter zal het verzoek afwijzen. 2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat. w.g. Hirsch Ballin    w.g. Melse Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2004 191-424.