
Jurisprudentie
AR5802
Datum uitspraak2004-11-08
Datum gepubliceerd2004-11-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200407984/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2004-11-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200407984/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 7 september 2004, kenmerk RE.128.03, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet deels geweigerd en deels verleend voor een varkenshouderij, kadastraal bekend gemeente Drimmelen, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 16 september 2004 ter inzage gelegd.
Uitspraak
200407984/2.
Datum uitspraak: 8 november 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 september 2004, kenmerk RE.128.03, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet deels geweigerd en deels verleend voor een varkenshouderij, kadastraal bekend gemeente Drimmelen, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 16 september 2004 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft onder meer verzoeker bij brief van 28 september 2004, bij de Raad van State ingekomen per telefax op dezelfde dag, beroep ingesteld.
Bij brief van 28 september 2004, bij de Raad van State ingekomen per telefax op dezelfde dag, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 oktober 2004, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door mr. L.P. Berg, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door A. Hartman en T.S.A.J. van der Pluijm, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder bijgestaan door J. Lauwerijssen, daar als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Verzoeker vreest stankhinder van de inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend. Hij heeft aangevoerd dat verweerder de directe omgeving van de inrichting ten onrechte in categorie III van de brochure Veehouderij en Hinderwet heeft ingedeeld. Voorts heeft hij betoogd dat de onderliggende vergunning van 8 mei 1998 ook wat betreft stal A is vervallen.
2.3. Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, vervalt de vergunning voor een inrichting indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.
2.4. De Voorzitter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd en gezien de ter zitting getoonde plattegrond voorshands geen grond voor het oordeel dat verweerder de directe omgeving van de inrichting ten onrechte in categorie III van de brochure Veehouderij en Hinderwet heeft ingedeeld.
Vaststaat dat stal A op 8 mei 1998 reeds was gebouwd. Niet bestreden is dat nadien en voor april 2000 nog bedrijfsmatig dieren in deze stal zijn gehouden. Derhalve is de Voorzitter voorshands van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat stal A tijdig is voltooid en in werking gebracht en dat de vergunning van 8 mei 1998 in zoverre niet is vervallen.
2.5. Gezien het vorenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in te willigen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Van Hardeveld
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2004
312.

