
Jurisprudentie
AR5809
Datum uitspraak2004-11-10
Datum gepubliceerd2004-11-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200408316/1 en 200408316/2
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-11-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200408316/1 en 200408316/2
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 14 september 2004, kenmerk M67-2004, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de verkoop en opslag van consumentenvuurwerk en de verkoop van partijgoederen en carnavalsartikelen, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 24 september 2004 ter inzage gelegd.
Uitspraak
200408316/1 en 200408316/2.
Datum uitspraak: 10 november 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid "Woningbouwvereniging Volksbelang", gevestigd te Helmond,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Helmond,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 september 2004, kenmerk M67-2004, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de verkoop en opslag van consumentenvuurwerk en de verkoop van partijgoederen en carnavalsartikelen, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 24 september 2004 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 7 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2004, beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2004, waar appellante, ter zitting vertegenwoordigd door J.A.J.M. Flemminks Smid, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus, ambtenaar van de gemeente, en N. Jansen, gemachtigde, zijn verschenen.
Voorts is vergunninghouder als partij gehoord.
Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:
a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;
b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;
c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;
d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.
Appellante heeft gedurende de termijn, gesteld in artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die begon op 18 juni 2004 slechts meegedeeld dat bij haar bedenkingen bestonden. Niet is vermeld waaruit die bestaan. Van het indienen van bedenkingen in de zin van artikel 3:24 is slechts sprake indien ten minste beknopt is aangeduid waarom de indiener zich niet met het ontwerp van het besluit kan verenigen. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten geen ontvankelijke bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door appellante gestelde feiten dat verweerder de ontvangst van haar brief van 12 juli 2004 heeft bevestigd noch haar naar aanleiding daarvan heeft uitgenodigd voor een hoorzitting, aangezien verweerder hiertoe op grond van de Algemene wet bestuursrecht niet verplicht is. De Voorzitter merkt ten aanzien van dat laatste punt op dat verweerder slechts verplicht is een hoorzitting te organiseren indien een daartoe strekkend verzoek wordt gedaan. Daarvan is geen sprake.
2.2. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.4. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Heijstek-van Leussen, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis w.g. Heijstek-van Leussen
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2004
353.

