Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR5946

Datum uitspraak2004-10-28
Datum gepubliceerd2004-11-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/5217 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek tot gelijkstelling van tweede-generatie-vervolgingsslachtoffer afgewezen op de grond dat de Wet met ingang van 15 juli 1994 de mogelijkheid tot gelijkstelling met de vervolgde niet meer kent voor personen van de na-oorlogse generatie.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/5217 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 29 augustus 2003 heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 september 2004. Daar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot], en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Blijkens de gedingstukken heeft eiseres, die is geboren op 30 mei 1946, in november 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om haar als zogenoemd tweede-generatie-vervolgingsslachtoffer met toepassing van artikel 3, tweede lid, oud, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 18 februari 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat de Wet met ingang van 15 juli 1994 de mogelijkheid tot gelijkstelling met de vervolgde niet meer kent voor personen van de na-oorlogse generatie. In bezwaar en beroep heeft eiseres de juistheid van dit standpunt bestreden onder aanvoering dat zij ook reeds in 1974 een aanvraag ingevolge de Wet had ingediend om te worden erkend als vervolgde doch was afgewezen, terwijl aan de voet van het besluit - dat dateert van 11 juni 1976 - staat vermeld dat zij bij gewijzigde omstandigheden desgewenst een geheel nieuwe aanvraag kon indienen, hetgeen bij de onderhavige aanvraag is geschied. Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Gelet op de wijziging van de Wet bij wet van 7 juli 1994, Stb. 519, is in het bestreden besluit terecht vastgesteld dat de Wet geen mogelijkheden biedt om een nĂ¡ 15 juli 1994 ingekomen aanvraag om gelijkstelling van personen die behoren tot de na-oorlogse generatie, zoals eiseres, nog te honoreren. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd ter verklaring van het tijdstip van haar aanvraag kan - hoe begrijpelijk op zichzelf ook - hieraan niets toe- of afdoen. De Raad merkt hierbij nog op dat, nu de Wet reeds per 15 juli 1994 is gewijzigd zoals bovenvermeld, daarmede tevens in het geval van eiseres de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen, zoals vermeld in het besluit van 11 juni 1976, is komen te vervallen. Van bedoelde wetswijziging heeft verweerster alle WUV-gerechtigden, waaronder ook de echtgenoot van eiseres - die zulks ter terechtzitting ook niet heeft ontkend - tijdig in kennis gesteld. Uit voorgaande volgt dat het beroep van eiseres niet kan slagen. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2004. (get.) G.L.M.J. Stevens. (get.) E. Heemsbergen.