Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR6175

Datum uitspraak2004-06-16
Datum gepubliceerd2004-11-23
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/90113 DK
Statusgepubliceerd
SectorDouanekamer


Indicatie

6.1. Artikel 220, lid 2, onder b, CDW 6.1.1. Op grond van de stukken van het geding moet het ervoor worden gehouden dat de bevoegde autoriteiten van Turkije het certificaat A.TR.1 hebben afgegeven op basis van een onjuiste verklaring van de exporteur met betrekking tot de oorsprong van de kaviaar. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat van een vergissing van de bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, CDW (voorheen artikel 5, lid 2, Verordening navordering) geen sprake is, wanneer de bevoegde autoriteiten bij de afgifte van certificaten zijn misleid, specifiek met betrekking tot de oorsprong van de goederen, door onjuiste verklaringen van de exporteur waarvan zij de geldigheid niet behoeven te controleren of beoordelen; uitgezonderd zijn de gevallen waarin de onjuistheid van die verklaringen slechts het gevolg zijn van door deze autoriteiten zelf verstrekte, onjuiste gegevens, waaraan die autoriteiten gebonden zijn (arresten van 27 juni 1991, zaak C-348/89, Mecanarte, Jurispr., I-3277, UTC 1992/7*, en van 14 mei 1996, nrs. C-153/94 en C-204/94, Faroe Seafood Co. Ltd. e.a., Jurispr., I-2465, UTC 1998/39*). Niet is gesteld noch is gebleken dat dit uitgezonderde geval zich heeft voorgedaan. De stelling van belanghebbende dat de bevoegde autoriteiten van Turkije, ondanks de valse verklaring over de oorsprong, hadden moeten weten dat de daarin verstrekte informatie niet juist kon zijn, is derhalve onvoldoende om te concluderen dat de afgifte van het certificaat een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, CDW, vormt. 6.1.2. Het is voorts vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, dat de belastingplichtige een gewettigd vertrouwen in de geldigheid van certificaten niet kan baseren op het feit, dat de douaneautoriteiten van een lidstaat deze voorshands hebben aan-vaard: de aanvaarding van een ogenschijnlijk geldig certificaat bij een invoeraangifte vormt immers geen beletsel voor latere controles (arrest Faroe Seafood Co. Ltd. e.a., reeds aangehaald, r.o. 93 en 94). 6.1.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat geen sprake is geweest van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, zodat het beroep van belanghebbende op artikel 220, lid 2, onder b, CDW niet kan slagen. 6.2. De voldoening van de uitnodiging tot betaling De onderhavige uitspraak op bezwaar is gedaan op een bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar uitgereikte uitnodiging tot betaling. Op grond van de ar-tikelen 23 juncto 26 AWR kan dit geding zich niet (mede) uitstrekken tot de - latere - handelwijze van de ontvanger met betrekking tot de invordering daarvan. De door belanghebbende in dit kader opgeworpen grieven kunnen aan de rechtmatigheid van een eenmaal uitgereikte uitnodiging tot betaling niets afdoen. 6.3. Belanghebbende als schuldenaar Op grond van artikel 201, lid 3, CDW is belanghebbende uit eigen hoofde schuldenaar geworden van de onderhavige douaneschuld. De douaneautoriteiten kunnen hem daarop rechtstreeks aanspreken, ongeacht het feit dat er eventueel andere personen mede-aansprakelijk gesteld zouden kunnen worden.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Douanekamer Uitspraak in de zaak nr. 00/90113 DK (voorheen nr. 0113/2000 TC) de dato 16 juni 2004 1. De procedure 1.1. Op 5 juli 2000 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift inge-komen van A van Belastingadviseurs te X, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D B.V. te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het douanedistrict Z (hierna: de inspecteur) van 6 juni 2000, kenmerk ...., waarbij het bezwaar tegen de uitnodiging tot betaling van 5 december 1998, nummer ..., ten bedrage van f 31.840,30 (€ 14.448,50) aan douanerechten, werd afgewezen. 1.2. Van belanghebbende is door de secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van f 450,-- geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingezonden, waarop de inspecteur met een conclusie van dupliek heeft gereageerd. 1.3. Ingevolge artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie. 1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 15 oktober 2002. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de zaken 00/90114 DK tot en met 00/90119 DK. Namens belanghebbende zijn verschenen de gemachtigde voornoemd, A, B en C. Namens de inspecteur zijn verschenen E en F. Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen. 1.5. Op 24 februari 2003 heeft belanghebbende een brief gezonden aan de Douanekamer, waarbij als bijlagen zeven aan haar gerichte beschikkingen van de inspecteur, gedateerd 14 februari 2003, zijn gevoegd. De inspecteur heeft van deze stukken kennis kunnen nemen en zich daarover kunnen uitlaten. 2. De vaststaande feiten 2.1. Op 7 december 1995 heeft belanghebbende, douane-expediteur, bij de douane te Y een aangifte voor het vrije verkeer met het nummer ...144 gedaan, voor een zending kaviaar, afkomstig uit Turkije. De goederen werden aangegeven onder post 1604 30 10 van het Gemeenschappelijk douanetarief. Als land van oorsprong is Turkije vermeld. Bij de aangifte is een certificaat inzake goederenverkeer A.TR.1 nr. D ...3 over-gelegd, benodigd voor de toepassing van een verlaagd, preferentieel tarief van 0 %. De kaviaar is op de dag van aanvaarding van de aangifte zonder heffing van douanerechten ter beschikking van belanghebbende gesteld. De invoeraangifte werd gedaan in opdracht van T B.V. te S. Bij de aangifte is een factuur van deze importeur aan de afnemer G Trade S.A. te Luxemburg overgelegd. 2.2. Belanghebbende heeft tot en met augustus 1996, naast de sub 2.1. vermelde aangifte, nog zes maal ten behoeve van dezelfde opdrachtgever een zending kaviaar aangegeven, waarbij certificaten A.TR.1 en facturen werden overgelegd. 2.3. Op 26 november 1998 heeft de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: de FIOD) een rapport met kenmerk 97.605 opgemaakt en aan de inspecteur gezonden. Blijkens dit rapport is door de voormalige Unité de Coördination de la Lutte Anti-fraude (UCLAF), een dienst van de Europese Commissie, onderzoek ingesteld naar de oorsprong van de kaviaar, afkomstig uit Turkije. Tijdens een communautaire missie hebben de Turkse autoriteiten in februari 1998 tegenover vertegenwoordigers van de Europese Commissie verklaard, dat in Turkije geen kaviaar van steur, maar enkel kaviaarsurrogaten wordt gewonnen. Op 23 juni 1998 heeft de Permanent Vertegenwoordiger van Turkije bij de Europese Gemeenschappen schriftelijk bevestigd, dat onder meer het sub 2.1 genoemde certificaat A.TR. 1 ten onrechte is afgegeven. Voorts is door de FIOD in samenwerking met de Luxemburgse autoriteiten een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de op de aangifte vermelde douanewaarde. 2.4. Op basis van het onder 2.3. genoemde FIOD-rapport heeft de inspecteur besloten dat voor de ingevoerde kaviaar niet het preferentieel, maar het algemene tarief van 24 % van toepassing moet zijn. Verder heeft de inspecteur de op de aangifte vermelde douanewaarde verhoogd. In een brief van 3 december 1998 heeft de inspecteur dit aan belanghebbende medegedeeld als volgt: “Bij controle na invoer, uitgevoerd door de FIOD/vestiging R is gebleken, dat het door u overgelegde ATR 1 certificaat nr. D...3 ten onrechte is afgegeven in Turkije, daar er geen pro-ductie van steurkaviaar in Turkije plaatsvindt. Tevens is uit onderzoek gebleken dat de douanewaarde per kilogram netto US$ 63,00 te laag is”. Op 5 december 1998 is de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling aan belanghebbende uitgereikt en voorts heeft de inspecteur bij belanghebbende ter zake van de later gedane, zes invoeraangiften een bedrag aan douanerechten nagevorderd. Ook zijn uitnodigingen tot betalingen voor dezelfde douaneschuld uitgereikt aan T B.V. en G Trade S.A. De uitnodigingen tot betaling aan T B.V. zijn inmiddels vernietigd, omdat onvoldoende gronden waren om haar mede-aansprakelijk te houden. 2.5. Ter zitting is de inspecteur verzocht om kopieën van de bij de aangiften overgelegde facturen over te leggen. Op 9 december 2002 heeft de inspecteur de griffie van de Douanekamer telefonisch geïnformeerd, dat hij met belanghebbende in over-leg was. Op 24 februari 2003 is door belanghebbende een kopie van de beschikking van de inspecteur van 14 februari 2003 met kenmerk ... aan de Douanekamer gezonden. Blijkens deze beschikking heeft de inspecteur zijn stand-punt over de correctie van de douanewaarde herzien en besloten deze niet te handhaven. De inspecteur heeft aan belanghebbende ter zake van de onderhavige aangifte op grond van artikel 236 van het Communautair douane-wetboek (hierna: CDW) een terugbetaling van f 10.963,20 (€ 4.974,89) verleend. 3. Het geschil 3.1. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de uitnodiging tot betaling te hoog is vastgesteld voor een bedrag van f 10.963,20 aan douanerechten. 3.2. In geding is wel nog het antwoord op de vraag of de bepalingen van het CDW met betrekking tot de boeking en mededeling van een douaneschuld, aan de uitreiking van de litigieuze uitnodiging tot betaling voor het resterende bedrag van f 20.877,10, in de weg staan. 3.3. Subsidiair betoogt belanghebbende dat de voldoening van de litigieuze uitnodiging tot betaling ongedaan gemaakt moet worden, en dat de ontvanger eerst verhaal dient te halen bij de schuldenaar die mede-aansprakelijk is gesteld. 4. Het standpunt van belanghebbende 4.1. Het gestelde in artikel 220, lid 2, onder b, CDW is in casu van toepassing. Bij de afgifte van de certificaten A.TR. 1 is sprake geweest van een vergissing van de Turkse autoriteiten. Van hen mag worden verwacht dat zij weten dat er geen productie van kaviaar (kuit van steur) in Turkije plaatsvindt. Desondanks hebben zij de certi-ficaten geldig gemaakt. Zelfs bij een algemene controle had dit door hen al als ongeloofwaardig moeten worden aangemerkt, hetgeen niet is gebeurd. De Nederlandse douane heeft in zes van de zeven gevallen de certificaten zonder na-dere controle aanvaard. In één geval heeft verificatie van de aangifte plaatsgevonden, namelijk van die van 1 augustus 1996 met het nummer ... Blijkens de vermeldingen op de mededeling afhandeling verificatie is deze verificatie gebeurd aan de hand van bescheiden. De gegevens op de aangifte zijn akkoord bevonden; het certificaat is als geldig aanvaard. Bij belanghebbende is daardoor het vertrouwen gewekt dat dit certificaat, en ook de latere certificaten, terecht zijn afgegeven. Belanghebbende kende de vergissing niet en kon deze ook niet ontdekken. Zij was er niet van op de hoogte dat er in Turkije geen kaviaar van steur wordt geproduceerd. Van een professioneel douane-expediteur kan niet worden verlangd dat hij altijd weet waar, of waar niet, bepaalde goederen worden gemaakt. De inspecteur heeft niet gesteld dat belanghebbende te kwader trouw is geweest. Bij het doen van de aangiften heeft belanghebbende naar eer en geweten aan alle voor-schriften van de geldende bepalingen voldaan. Wij wijzen in dit verband ook op de vragen die door de Portugese rechter aan het Hof van Justitie zijn gesteld in de zaak, die op 26 juni 2000 bij het Hof aanhangig is gemaakt en geregistreerd onder zaaknummer C-251/00. 4.2. Belanghebbende heeft om uitstel van betaling verzocht. De ontvanger heeft in afwachting van een zekerheidsstelling geen uitstel van betaling voor deze uitnodiging tot betaling verleend. Tussentijds zijn ten onrechte betalingen van belanghebbende, die bestemd waren voor andere, specifiek genoemde, douaneschulden door de ontvanger voor de voldoening van deze schuld aangewend. Dit moet worden teruggedraaid. 4.3. De schuld moet vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval eerst worden verhaald op G Trading S.A., door wiens frauduleus handelen te weinig douanerechten zijn geheven. 5. Het standpunt van de inspecteur 5.1. Het beroep op artikel 220, lid 2, onder b, CDW moet worden verworpen. Van een actieve gedraging die als een vergissing kan worden gekwalificeerd is geen sprake. Ook de verificatie van twee aangiften door de Nederlandse douane is niet voldoende om als een vergissing in vorenbedoelde zin aan te merken. Aan de hand van het certificaat alleen kan in Nederland geen oordeel worden gegeven over de vraag of deze goederen terecht met de oorsprong Turkije zijn aangegeven. Belanghebbende had de vergissing redelijkerwijs zelf kunnen ontdekken. Op de website van de importeur T B.V. wordt namelijk de zeldzaamheid van de steur vermeld, en dat de steur alleen nog te vinden zou zijn in de Kaspische Zee en in de rivier de Amour in China. In Turkije wordt wel kuit van andere vissoorten dan de steur geproduceerd. 5.2. Betwijfeld wordt of de verrekening door de ontvanger als een voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van de artikelen artikel 30a juncto artikel 23 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan worden aangemerkt. Verrekening wordt beheerst door de artikelen 24 en 25 van de invorderingswet. Belanghebbende dient zich tot de civiele rechter te wenden. 6. De rechtsoverwegingen 6.1. Artikel 220, lid 2, onder b, CDW 6.1.1. Op grond van de stukken van het geding moet het ervoor worden gehouden dat de bevoegde autoriteiten van Turkije het certificaat A.TR.1 hebben afgegeven op basis van een onjuiste verklaring van de exporteur met betrekking tot de oorsprong van de kaviaar. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat van een vergissing van de bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, CDW (voorheen artikel 5, lid 2, Verordening navordering) geen sprake is, wanneer de bevoegde autoriteiten bij de afgifte van certificaten zijn misleid, specifiek met betrekking tot de oorsprong van de goederen, door onjuiste verklaringen van de exporteur waarvan zij de geldigheid niet behoeven te controleren of beoordelen; uitgezonderd zijn de gevallen waarin de onjuistheid van die verklaringen slechts het gevolg zijn van door deze autoriteiten zelf verstrekte, onjuiste gegevens, waaraan die autoriteiten gebonden zijn (arresten van 27 juni 1991, zaak C-348/89, Mecanarte, Jurispr., I-3277, UTC 1992/7*, en van 14 mei 1996, nrs. C-153/94 en C-204/94, Faroe Seafood Co. Ltd. e.a., Jurispr., I-2465, UTC 1998/39*). Niet is gesteld noch is gebleken dat dit uitgezonderde geval zich heeft voorgedaan. De stelling van belanghebbende dat de bevoegde autoriteiten van Turkije, ondanks de valse verklaring over de oorsprong, hadden moeten weten dat de daarin verstrekte informatie niet juist kon zijn, is derhalve onvoldoende om te concluderen dat de afgifte van het certificaat een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, CDW, vormt. 6.1.2. Het is voorts vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, dat de belastingplichtige een gewettigd vertrouwen in de geldigheid van certificaten niet kan baseren op het feit, dat de douaneautoriteiten van een lidstaat deze voorshands hebben aan-vaard: de aanvaarding van een ogenschijnlijk geldig certificaat bij een invoeraangifte vormt immers geen beletsel voor latere controles (arrest Faroe Seafood Co. Ltd. e.a., reeds aangehaald, r.o. 93 en 94). 6.1.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat geen sprake is geweest van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, zodat het beroep van belanghebbende op artikel 220, lid 2, onder b, CDW niet kan slagen. 6.2. De voldoening van de uitnodiging tot betaling De onderhavige uitspraak op bezwaar is gedaan op een bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar uitgereikte uitnodiging tot betaling. Op grond van de ar-tikelen 23 juncto 26 AWR kan dit geding zich niet (mede) uitstrekken tot de - latere - handelwijze van de ontvanger met betrekking tot de invordering daarvan. De door belanghebbende in dit kader opgeworpen grieven kunnen aan de rechtmatigheid van een eenmaal uitgereikte uitnodiging tot betaling niets afdoen. 6.3. Belanghebbende als schuldenaar Op grond van artikel 201, lid 3, CDW is belanghebbende uit eigen hoofde schuldenaar geworden van de onderhavige douaneschuld. De douaneautoriteiten kunnen hem daarop rechtstreeks aanspreken, ongeacht het feit dat er eventueel andere personen mede-aansprakelijk gesteld zouden kunnen worden. 6.4. Conclusie Gelet op de omstandigheid dat de inspecteur ten tijde van het beroep de douaneschuld van de uitnodiging tot betaling gedeeltelijk heeft terugbetaald, volgt dat de uitspraak waarvan beroep moet worden vernietigd, en de uitnodiging tot betaling dienovereenkomstig verminderd. 7. De proceskosten De Douanekamer acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht , in verband met de samenhang met de zaken nrs. 00/90114 DK, 00/90115 DK, 00/90116 DK, 00/90117 DK, 00/90118 DK en 00/90119 DK worden vastgesteld op € 172,50, zijnde een zevende van het totaalbedrag dat als volgt is berekend: 2,5 (beroepschrift, conclusie van repliek en verschijnen ter zitting) x 1,5 (gewicht van de zaak) x € 322 = € 1.207,50. 8. De beslissing De Douanekamer: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak, waarvan beroep; - vermindert de litigieuze, onder 1.1. vermelde uitnodiging tot betaling tot het bedrag van f 20.877,10 (€ 9.473,61) aan douanerechten; - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 172,50 en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen; - gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht ad € 204,20 te vergoeden. Aldus vastgesteld op 16 juni 2004 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, H.J. Bokhorst en mr. E.N. Punt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.G. van Aalst, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken. De griffier: De voorzitter: Beroep in cassatie Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen. 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief). 2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoep kan de Hoge Raad worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.