Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR6201

Datum uitspraak2005-01-28
Datum gepubliceerd2005-01-28
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC04/074HR
Statusgepubliceerd


Indicatie

28 januari 2005 Eerste Kamer Nr. C04/074HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], Spanje, EISER tot cassatie, advocaat: mr. C.L. Koets-Bolhuis, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. H.B.M. van Dullemen. 1. Het geding in feitelijke instanties...


Conclusie anoniem

Rolnr. C04/074HR Mr L. Strikwerda Zt. 12 nov. 2004 conclusie inzake [de man] tegen [de vrouw] Edelhoogachtbaar College, 1. Het gaat in deze zaak om een vordering tot vernietiging op de voet van art. 3:196 BW van de tussen partijen overeengekomen verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin zij waren gehuwd. In cassatie worden de bewijsbeslissingen van het hof ter discussie gesteld. 2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 1 van het arrest van het hof in verbinding met r.o. 1 van het vonnis van de rechtbank). (i) Thans eiser tot cassatie, hierna: de man, en thans verweerster in cassatie, hierna: de vrouw, beiden van Nederlandse nationaliteit, zijn op 10 juli 1982 te 's-Gravenhage met elkaar gehuwd zonder vooraf huwelijkse voorwaarden te maken. (ii) Bij beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 17 juni 1998 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 7 september 1998 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven. (iii) Op 30 december 1997 hebben partijen een echtscheidingsconvenant ondertekend. Daarbij zijn zij een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap overeengekomen. 3. Bij exploit van 12 februari 1999 heeft de vrouw de man gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en (primair) gevorderd vernietiging van de tussen partijen tot stand gebrachte boedelverdeling wegens dwaling waardoor zij voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. 4. De man heeft de vordering bestreden en van zijn kant in reconventie gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld mee te werken aan de eigendomsoverdracht aan hem van een woning te [plaats]. 5. Bij vonnis van 18 juli 2001 heeft de rechtbank in conventie de boedelverdeling van partijen, overeengekomen in het echtscheidingsconvenant van 30 december 1997, vernietigd en in conventie en in reconventie het meer of anders gevorderde afgewezen. 6. De man is van dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Als grief voerde de man aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een aantal tot de boedel behorende passiva, bestaande uit schulden van de man aan zijn broer uit hoofde van geldlening. 7. Het hof heeft bij arrest van 24 september 2003 het vonnis van de rechtbank, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd. Het hof achtte de door de man gestelde, door de vrouw weersproken, schulden aan zijn broer niet bewezen door de door de man overgelegde bescheiden (r.o. 4). 8. De man is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel dat door de vrouw is bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep. 9. Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de man de door hem gestelde schulden aan zijn broer niet heeft bewezen door de door hem overgelegde bescheiden. Volgens het middel heeft het hof met dit oordeel het recht geschonden, doordat het aan de regels van bewijsrecht is voorbijgegaan, alsmede zijn motiveringsplicht geschonden. 10. Al aangenomen dat het middel voldoet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv aan een cassatiemiddel te stellen eisen nu het, wat de rechtsklacht betreft, niet aangeeft aan welke regels van bewijsrecht het hof zou zijn voorbijgegaan en, wat de motiveringsklacht betreft, niet aangeeft in welk opzicht de door het hof aan zijn oordeel gegeven motivering zou tekortschieten, faalt het. Voor zover het middel wil betogen dat het hof het door de man gepresenteerde bewijsmateriaal niet mocht passeren, verliest het uit het oog dat de door de man overgelegde bescheiden geen dwingend of beslissend bewijs opleveren, doch als geschriften die niet het karakter van een onderhandse of authentieke akte hebben, slechts vrije bewijskracht hebben. Voor zover het middel wil betogen dat de bewijswaardering door het hof van de door de man overgelegde bescheiden onjuist is, ziet het eraan voorbij dat naar vaste rechtspraak de waardering van bewijsmiddelen is overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt en in cassatie op juistheid niet kan worden getoetst (zie bijv. HR 5 december 2003, NJ 2004, 74). Voor zover het middel wil betogen dat het hof zijn bewijsoordeel niet heeft gemotiveerd, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft in r.o. 4 van zijn arrest aangegeven waarom de door de man overgelegde bescheiden naar zijn oordeel geen bewijs opleveren van de door de man gestelde schulden aan zijn broer. Die motivering is niet onbegrijpelijk. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,


Uitspraak

28 januari 2005 Eerste Kamer Nr. C04/074HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], Spanje, EISER tot cassatie, advocaat: mr. C.L. Koets-Bolhuis, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. H.B.M. van Dullemen. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploot van 12 februari 1999 eiser tot cassatie - verder te noemen: de man - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voorzover de wet zulks toelaat: primair: de tussen partijen tot stand gebrachte verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te vernietigen wegens benadeling van eiseres voor meer dan eenvierde gedeelte; subsidiair: de door partijen gesloten overeenkomst betrekking hebbende op een aantal vermogensbestanddelen wegens dwaling aan de zijde van de vrouw te vernietigen c.q. de in de boedel vallende pensioenrechten conform de wet te verdelen met veroordeling van de man in de kosten van het geding. De man heeft de vordering bestreden en van zijn kant in reconventie gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen om: I binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis haar medewerking te verlenen aan de formaliteiten verbonden aan het transport van het pand aan de [a-straat 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Wassenaar sectie [A], nr. [001], groot 2 are zes en tachtig centiare; II te bepalen dat bij gebreke van medewerking van de vrouw binnen de hierboven genoemde termijn van veertien dagen dit vonnis dezelfde kracht zal hebben als een in wettige vorm opgemaakte akte van levering van voormelde onroerende zaak. De vrouw heeft de vordering in reconventie bestreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 18 juli 2001 in conventie de boedelverdeling van partijen, overeengekomen in het echtscheidingsconvenant van 30 december 1997, vernietigd en in conventie en in reconventie het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 24 september 2003 heeft het hof voormeld vonnis van de rechtbank, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd en de man in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van de vrouw veroordeeld. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 28 januari 2005.