Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR6231

Datum uitspraak2004-11-17
Datum gepubliceerd2004-11-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3370 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Heeft gedaagde terecht het standpunt ingenomen dat betrokkenes nieuwe werkgever is gehouden de betalingsverplichtingen van de oude werkgever over te nemen en dat betrokkene daarom geen recht heeft op WW-uitkering?


Uitspraak

02/3370 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. O. van de Klok, werkzaam bij de FNV ledenservice, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 18 juni 2002 gewezen uitspraak, reg.nr. Awb 01/00626 WW V02, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 6 oktober 2004, waar appellante en haar gemachtigde niet zijn verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Onder verwijzing naar rubriek 2 van de aangevallen uitspraak voor een meer uitvoerige weergave van de van belang zijnde feiten, volstaat de Raad hier met het volgende. Appellante, heeft op 19 september 2000 bij gedaagde een aanvraag om een uitkering in het kader van hoofdstuk IV van de WW ingediend in verband met het faillissement van Nooitgedacht Recreatie B.V. op 25 juli 2000. Bij besluit van 15 januari 2001 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen onder de overweging dat uit onderzoek is gebleken dat Nooitgedacht Recreatie B.V. op 1 mei 2000 is overgenomen door Hogenboom Beheer B.V., handelend onder de naam Nooitgedacht Exploitatie. Deze nieuwe werkgever, aldus gedaagde, is gehouden de betalingsverplichtingen over te nemen van de oude werkgever hetgeen betekent dat appellante geen recht heeft op uitkering. Bij de beslissing op bezwaar van 27 juni 2001 (het bestreden besluit) is die weigering gehandhaafd. De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellante stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat gedaagde gehouden is de loonvordering over te nemen. Verder is opgemerkt dat uit het handelsregister niet blijkt wie er aangesproken had moeten worden en het bovendien niet eenvoudig is om de vordering van appellante te verhalen nu Nooitgedacht Recreatie B.V. inmiddels failliet is verklaard. De Raad overweegt als volgt. Gelet op de beschikbare gegevens, waaronder met name de brief van 14 december 2000 van de curator mr. J.H. Pellinkhof waaruit blijkt dat er sprake was van een overnamecontract ondertekend namens Nooitgedacht Exploitatie B.V., van overname van personeel per 1 mei 2000 alsmede van het feit dat de activiteiten van het recreatiepark werden voortgezet onder handhaving van de economische eenheid en identiteit, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en gedaagde dat voorafgaande aan het faillissement van Nooitgedacht Recreatie B.V. sprake is geweest van overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek. Voorts is tussen partijen niet in geschil, en ook de Raad gaat daarvan uit, dat appellante met ingang van 12 oktober 1998 bij Nooitgedacht Recreatie B.V. in dienst is gekomen en dat het dienstverband ten tijde van de overgang van de onderneming niet was geƫindigd. De Raad onderschrijft derhalve het standpunt van gedaagde dat appellante van rechtswege werknemer van Nooitgedacht Exploitatie B.V. is geworden en dat de uit het dienstverband met Nooitgedacht Recreatie B.V. voortvloeiende verplichtingen bestaande onder meer uit de aanspraak op loon over de periode van 1 september 1998 tot 1 juni 1999, op Nooitgedacht Exploitatie B.V. zijn overgegaan. In hetgeen namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht heeft de Raad geen reden gevonden om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. Met betrekking tot de stelling dat het niet eenvoudig is om de vordering van appellante te verhalen merkt de Raad op dat dit aan het voorgaande niet kan afdoen reeds omdat ten tijde van het afgeven van het primaire besluit op 15 januari 2001 Hogenboom Beheer B.V. stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder vermelding van een inschrijvingsnummer en de plaats van vestiging waardoor appellante over essentiƫle gegevens kon beschikken over deze B.V. Uit het vorengaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2004. (get.) T. Hoogenboom. (get.) L. Karssenberg. RB1811