Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR6241

Datum uitspraak2004-11-18
Datum gepubliceerd2004-11-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/5131 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering erkenning als vervolgingsslachtoffer omdat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk is gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/5131 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats] (België), eiseres, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 29 augustus 2003, kenmerk JZ/M60/2003/0630, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) heeft eiseres uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 15 september 2004 heeft mr. N.R. Heilhof, advocaat te Heerlen, zich als gemachtigde van eiseres gesteld. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 oktober 2004. Aldaar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door mr. N.R. Heilhof voornoemd, en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Eiseres, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in januari 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet en om toekenning van - onder meer - een periodieke uitkering als zodanig. In dat verband heeft eiseres gesteld tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië geïnterneerd te zijn geweest in een kloosterkamp (zijnde het Ursulinenklooster) te Bogor, alwaar zij werkzaamheden heeft moeten verrichten. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 3 juli 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond - kort gezegd - dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Op grond van artikel 2 van de Wet wordt - samengevat en voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homosexualiteit, dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd. Volgens vaste rechtspraak dient de gestelde vrijheidsberoving voldoende aangetoond of aannemelijk te zijn. De Raad is met verweerster van oordeel dat de voorhanden gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden om te kunnen aanvaarden dat eiseres tijdens de Japanse bezetting vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan. Zo heeft het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis betreffende de Japanse bezettings-periode omtrent eiseres geen gegevens aangetroffen en komt uit de van de, oudere, zuster van eiseres in het kader van een aanvraag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 verstrekte gegevens voldoende naar voren dat een verblijf in het Ursulinenklooster eerst tijdens de zogenoemde Bersiap-periode heeft plaatsgehad. Daarbij komt dat blijkens de zogeheten Kampenlijst het Ursulinenklooster tijdens de Japanse bezetting dienst heeft gedaan als interneringskamp voor mannen. Aan de in beroep overgelegde verklaring van de zoon van de voormalige kamparts kan de Raad dan ook niet die waarde hechten die eiseres daaraan gehecht wil zien, te minder nu deze verklaring niet berust op eigen waarneming. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond. Het ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2004. (get.) G.L.M.J. Stevens. (get.) J.P. Schieveen.