Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR6305

Datum uitspraak2004-11-24
Datum gepubliceerd2004-11-24
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200306145/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 9 januari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk (hierna: het college) geweigerd aan appellante bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een bedrijfswoning op het perceel, kadastraal bekend gemeente Winterswijk, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te Winterswijk (hierna: het perceel).


Uitspraak

200306145/1. Datum uitspraak: 24 november 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd te Winterswijk, tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 augustus 2003 in het geding tussen: appellante en het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk. 1.    Procesverloop Bij besluit van 9 januari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk (hierna: het college) geweigerd aan appellante bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een bedrijfswoning op het perceel, kadastraal bekend gemeente Winterswijk, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te Winterswijk (hierna: het perceel). Bij besluit van 19 juni 2001 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 augustus 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 15 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 oktober 2003. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 22 december 2003 heeft het college van antwoord gediend. Na de sluiting van het vooronderzoek zijn van partijen nog nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partij gezonden. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak aan de orde gesteld ter zitting van 12 oktober 2004. Partijen zijn met bericht niet verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Vast staat dat op 7 september 2004 aan appellante bouwvergunning is verleend voor de bouw van een bedrijfswoning op het perceel. Mede in aanmerking nemend dat dit is gebeurd naar aanleiding van een nieuwe aanvraag die betrekking heeft op een andere situering dan de aan het onderhavige geschil ten grondslag liggende aanvraag om bouwvergunning, bestaat geen grond voor het oordeel dat met het besluit van 7 september 2004 het procesbelang is komen te vervallen. 2.2.    Niet in geschil is dat de bouw van een bedrijfswoning bij het door appellante geëxploiteerde aannemersbedrijf niet in overeenstemming is met de ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied Winterswijk-Oost” op het perceel rustende bestemming “Agrarisch gebied”. Appellante stelt echter aanspraak te kunnen maken op verlening van vrijstelling van dit bestemmingsplan. 2.3.    Blijkens een aan de rechtbank gerichte brief van het college van 26 november 2002 had de gemeenteraad van Winterswijk ten tijde van het besluit van 19 juni 2001 zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling te verlenen niet aan het college gedelegeerd. 2.4.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) is herzien, terwijl geen vrijstelling, als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de WRO is verleend en voorts dat voor het betrokken gebied geen voorbereidingsbesluit geldt dan wel een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank was dan ook niet voldaan aan de voorwaarden om met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO voor de realisering van het bouwplan vrijstelling te verlenen. Zij heeft vervolgens overwogen dat in dit geval de door appellante ingediende aanvraag om bouwvergunning niet op de voet van artikel 46, derde lid, van de Woningwet wordt geacht mede een verzoek om vrijstelling in te houden en dat dan ook voor het college geen aanleiding bestond deze aanvraag door te zenden aan de gemeenteraad. 2.5.    Appellante komt hier met recht tegen op. Nu de bevoegdheid om met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen niet was gedelegeerd, was uitsluitend de gemeenteraad bevoegd om over de toepassing van deze bepaling een besluit te nemen. Dit betekent dat het ook aan de gemeenteraad en niet aan het college was om vast te stellen of aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling was voldaan. Voor de door de rechtbank gegeven beperkte uitleg van voormeld artikel 46, derde lid, bestaat dan ook geen grond. De Afdeling laat daarbij thans in het midden of de rechtbank terecht tot de slotsom is gekomen dat in dit geval niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO is voldaan. Het van rechtswege gedane verzoek om vrijstelling had derhalve door het college moeten worden doorgezonden aan de gemeenteraad. Nu het college dit niet heeft gedaan en bij zijn besluit van 19 juni 2001 de afwijzing van de aanvraag om bouwvergunning zonder meer heeft gehandhaafd, dient dit besluit te worden vernietigd. De door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 4 september 2002 inzake no. 200201296/1 (AB 2003/113) leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak zag op een andere vraag, namelijk of het college de gemeenteraad ambtshalve een voorstel tot het nemen van een voorbereidingsbesluit moest doen. 2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 19 juni 2001 vernietigen. 2.7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.    verklaart het hoger beroep gegrond; II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 augustus 2003, 01/910 WOW44; III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk van 19 juni 2001, nr. VI-3-4; V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Winterswijk te worden betaald aan appellante; VI.    gelast dat de gemeente Winterswijk aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 204,20 en € 348,00: totaal € 552,20) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat. w.g. Claessens    w.g. Boer Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2004 201.