Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR6685

Datum uitspraak2004-11-29
Datum gepubliceerd2004-11-30
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/080361-03
Statusgepubliceerd


Indicatie

Invoerders en dealers cocaïne (Apeldoorn) gestraft tot verschillende gevangenisstraffen; en indien ten laste gelegd vrijspraken voor de criminele organisatie.


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Meervoudige kamer voor strafzaken Parketnummer: 06/080361-03 Uitspraak d.d.: 29 november 2004 tegenspraak / oip VERKORT VONNIS in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats]. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 juli, 1 oktober en 16 november 2004. Ter terechtzitting gegeven beslissingen Ter terechtzitting van 16 november 2004 is het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis toegewezen. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2002 tot en met 19 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Rotterdam en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; art 2 lid 1 ahf/ond A Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of (een) ander(en) in of omstreeks de periode van 1 juli 2002 tot en met 19 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Rotterdam en/of Apeldoorn met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 juli 2002 tot en met 19 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Rotterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door voor die [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of (een) ander(en) geld te beheren en/of geld over te maken (via Money transfers) art 3 lid 1 ahf/ond B Opiumwet art 11 lid 2 Opiumwet art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht art 3 lid 1 ahf/ond C Opiumwet 2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juli 2002 tot en met 19 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer en/of Rotterdam en/of Apeldoorn, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; art 2 lid 1 ahf/ond B Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of (een) ander(en) in of omstreeks de periode van 1 juli 2002 tot en met 19 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Rotterdam en/of Apeldoorn met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 juli 2002 tot en met 19 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Rotterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door voor die [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of (een) ander(en) geld te beheren en/of geld over te maken (via Money transfers) art 3 lid 1 ahf/ond B Opiumwet art 11 lid 2 Opiumwet art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht art 3 lid 1 ahf/ond C Opiumwet 3. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2002 tot en met 19 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Rotterdam en/of Apeldoorn, althans elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 1] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of een of meer andere natuurlijke perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven namelijk: - het opzettelijk brengen binnen het grondgebied van Nederland een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of - het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht Verweer nietige dagvaarding Namens verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding wat betreft de feiten 1 en 2 nietig verklaard dient te worden, nu de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is en de verdediging zich niet naar behoren heeft kunnen voorbereiden op de in die dagvaarding opgenomen strafrechtelijke verwijten. De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij is van oordeel dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde de toets der kritiek kan doorstaan, voldoende feitelijk is omschreven en derhalve voldoet aan de eisen gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering; Vrijspraak Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan. De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daarbij dat op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld, dat een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht heeft bestaan. Voor een organisatie in de zin van dit wetsartikel is vereist dat personen binnen een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband handelen, alsmede dat dit handelen volgens gemeenschappelijke regels met het oog op een gemeenschappelijk doelstelling plaatsvindt. In dit geval wordt aan deze vereisten niet voldaan. Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen voor bepaalde vaste patronen, zoals op het vlak van het regelen van importen van cocaïne vanuit de Antillen naar Nederland of het verkopen van cocaïne in Nederland, doch daartegenover staan evenzoveel ingevolge de Opiumwet strafbare feiten, gestaafd door wettige bewijsmiddelen, die door één of meer verdachten uit het onderzoek van het Valcoteam op ad-hoc-basis afzonderlijk dan wel in wisselende samenstelling en met steeds wisselende initiatiefnemers zijn begaan. De in het dossier doorklinkende suggestie, dat deze bewijsbare handelingen tegen de achtergrond van de ten laste gelegde organisatie moeten worden bezien en dat één en ander in samenhang behoort te leiden tot de conclusie, dat wettig en overtuigend bewijs bestaat voor de organisatie, is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. Nog afgezien van de in het dossier aangetroffen vage, weinig diepgaande, verklaringen van enige verdachten over het bestaan van een organisatie, merkt de rechtbank ten slotte op, dat de opgevoerde verbanden tussen geldstromen, leveringen van drugs en contacten tussen verdachten te weinig concreet en specifiek zijn om op grond daarvan tot het bewijs van een organisatie te komen. Taal- en/of schrijffouten Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op tijdstippen in september 2003 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Rotterdam en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. 2. hij in de periode 1 juli 2002 tot en met 31 december 2002 in de gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde Wat meer of anders is ten las-te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezene levert op de misdrijven: feit 1 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod; feit 2 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Oplegging van straf en/of maatregel De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij haar straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de invoer van cocaïne, een voor de gezondheid van personen zeer schadelijke stof. Bovendien heeft hij bolletjes cocaïne in huis gehad. De rechtbank heeft mede in aanmerking genomen de ingevoerde hoeveelheid van rond de 450 gram en de strafoplegging die doorgaans in soortgelijke gevallen van invoer wordt opgelegd. Anderzijds heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal voorts de hierna te melden bijzondere voorwaarde stellen. Toepasselijke wettelijke voorschriften Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. BESLISSING De rechtbank beslist als volgt. Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen. Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 63 (drieënzestig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Rotterdam, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt. Geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te verlenen. Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht. Aldus gewezen door mr. Van Hoorn, voorzitter, mrs. Van Lookeren Campagne en Feunekes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Bruijn-van der Sluijs, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 november 2004.