Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR6745

Datum uitspraak2004-12-01
Datum gepubliceerd2004-12-01
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404383/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 24 juli 2003 heeft verweerder aan [vergunninghouder] dan wel appellant en [partij] een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 3.500,00 per geconstateerde overtreding van voorschrift 1.1.1 van bijlage B bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit). Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 10.500,00.


Uitspraak

200404383/1. Datum uitspraak: 1 december 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 24 juli 2003 heeft verweerder aan [vergunninghouder] dan wel appellant en [partij] een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 3.500,00 per geconstateerde overtreding van voorschrift 1.1.1 van bijlage B bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit). Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 10.500,00. Bij besluit van 24 februari 2004, verzonden op 1 maart 2004, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 april 2004, bij de rechtbank te Den Haag ingekomen op 13 april 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 april 2004. Het beroepschrift is met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar de Afdeling. Bij brief van 16 augustus 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. D. Karatay, ing. H.C.G.M. Bastiaansen en R. Boender, ambtenaren van de gemeente,is verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Hetgeen appellant met zijn beroep kennelijk nastreeft, is bereikt, aangezien de bij besluit van 24 juli 2003 opgelegde last onder dwangsom is vervallen in verband met het verstrijken van de in dit besluit gestelde termijn van 15 maanden dat geen dwangsom is verbeurd. Voor een oordeel dat appellant niettemin nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep, bestaat geen grond. 2.2.    Het beroep is niet-ontvankelijk. 2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat. w.g. Beekhuis    w.g. De Vink Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2004 154-399.