
Jurisprudentie
AR6852
Datum uitspraak2004-11-18
Datum gepubliceerd2004-12-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3042 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-12-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3042 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Besluiten inzake hoogte van de vastgestelde gedifferentieerde premie. Hoger beroep tegen oordeel van de rechtbank dat artikel 87e van de WAO er aan in de weg staat dat werkgeefster in het onderhavige geding beroepsgronden tegen die besluiten aanvoert slaagt. Terugwijzing naar rechtbank.
Uitspraak
02/3042 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Op bij aanvullend en nadien nader aangevuld beroepschrift met bijlagen aangevoerde gronden is namens appellante hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Dordrecht op 26 april 2002 onder kenmerk 00/895 tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 7 oktober 2004, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, en gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 27 januari 2000 heeft gedaagde ten laste van appellante de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor 2000 vastgesteld. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 17 november 2000 ongegrond verklaard.
De hoogte van de gedifferentieerde premie wordt in dit geval mede bepaald door de aan een veertiental (ex-)werknemers van appellante door gedaagde toegekende WAO-uitkeringen. Aan vier van deze werknemers zijn uitkeringen toegekend met ingang van een datum na 1 januari 1998, aan de overige met ingang van een datum vóór 1 januari 1998.
Voorzover de besluiten tot toekenning van deze WAO-uitkeringen dateren van na 1 januari 1998, staat artikel 87e van de WAO er aan in de weg dat in het onderhavige geding daartegen beroepsgronden worden aangevoerd. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante de gelegenheid om op te komen tegen het besluit tot het vaststellen van de gedifferentieerde premie voor 1999 onbenut heeft gelaten. Aangezien de van vóór 1 januari 1998 daterende besluiten tot toekenning van WAO-uitkering ook ten grondslag lagen aan de vaststelling van de gedifferentieerde premie voor 1999 en door appellante in dat kader ter discussie hadden kunnen worden gesteld, staat naar het oordeel van de rechtbank artikel 87e van de WAO er aan in de weg dat appellante in het onderhavige geding beroepsgronden tegen die besluiten aanvoert.
De tegen dit oordeel in hoger beroep gerichte grond slaagt. Hiervoor verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 januari 2004, USZ 2004/97. De aangevallen uitspraak kan dan ook niet in stand blijven. Gelet op de aard van de procedure en ter voorkoming van onnodige procedures in hoger beroep ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.
De Raad ziet tevens aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voorwaardelijk, voor het geval het bestreden besluit niet in rechte stand houdt, te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van appellante wegens de haar verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 644,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Dordrecht;
Veroordeelt gedaagde voorwaardelijk in de proceskosten in hoger beroep tot € 644,--, te betalen door het Uwv aan appellante;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde recht ad € 218,-- vergoedt.
Gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2004.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) M. Renden.

