Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR6865

Datum uitspraak2004-11-25
Datum gepubliceerd2004-12-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers2/6110 WAO + 02/6111 WAO + 03/855 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking van het hoger beroep tegen de vaststelling van de voor werkgeefster geldende gedifferentieerde premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/6110 WAO + 02/6111 WAO + 03/855 WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij beroepschriften van 5 december 2002 en 20 februari 2003 heeft J.H.C. van Dongen, werkzaam bij de Metaalunie te Nieuwegein, als gemachtigde van appellante op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Roermond op respectievelijk 4 november 2002, nummers 01/932 en 02/569, en 23 januari 2003, nummer 02/866, tussen partijen gewezen uitspraken (hierna: de aangevallen uitspraken). Gedaagde heeft verweerschriften ingediend. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 21 september 2004, waar namens appellante is verschenen J.H.C. van Dongen, voornoemd, en waar namens gedaagde zijn verschenen mr. K.D. van Someren en E. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De aangevallen uitspraken hebben betrekking op besluiten van gedaagde strekkende tot vaststelling van de voor appellante geldende gedifferentieerde premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor de premiejaren 1998, 1999 en 2002. Bij die vaststelling zijn aan appellantes (ex-)werknemers in de jaren 1996, 1997 en 2000 betaalde WAO-uitkeringen in aanmerking genomen. Ter zitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante de opgeworpen beroepsgronden, betreffende schending van artikel 4, achtste lid van het ILO-verdrag C103 en het uitblijven van herbeoordelingen van de toegekende uitkeringen, uitdrukkelijk niet langer gehandhaafd. Alle overige in hoger beroep aangevoerde gronden zijn door de Raad in zijn na het instellen van de hoger beroepen ontwikkelde, partijen bekende rechtspraak, reeds verworpen, en zij slagen evenmin in de onderhavige gedingen. De Raad volstaat, in overeenstemming met partijen, voor de motivering naar de verwijzing naar die eerdere rechtspraak. De aangevallen uitspraken komen zodoende voor bevestiging in aanmerking. De Raad ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraken. Aldus gegeven door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2004. (get.) R.C. Stam (get.) A. Kovács