Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR7107

Datum uitspraak2004-12-03
Datum gepubliceerd2004-12-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200409054/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 12 december 2003 heeft het college burgemeester en wethouders van Soest (hierna: het college) verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven om binnen de in dat besluit gestelde begunstigingstermijnen de daarin nader aangeduide bouwwerken op het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen en de bewoning van de daarop aanwezige schuur te beëindigen.


Uitspraak

200409054/2. Datum uitspraak: 3 december 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: [verzoeker], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 30 september 2004 in het geding tussen: verzoeker en het college burgemeester en wethouders van Soest. 1.    Procesverloop Bij besluit van 12 december 2003 heeft het college burgemeester en wethouders van Soest (hierna: het college) verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven om binnen de in dat besluit gestelde begunstigingstermijnen de daarin nader aangeduide bouwwerken op het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen en de bewoning van de daarop aanwezige schuur te beëindigen. Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het college, onder verlenging van begunstigingstermijnen en herroeping in zoverre van het besluit van 12 december 2003, het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 september 2004, verzonden op 1 oktober 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 5 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 november 2004, hoger beroep ingesteld. Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 november 2004, waar verzoeker in persoon, bijgestaan door G. Beijen, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door G. Hutttinga, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij] daar gehoord. 2.    Overwegingen 2.1.    In hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat niet in redelijkheid tot handhavend optreden mocht worden besloten. 2.2.    Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. 2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat. w.g. Slump    w.g. Roelfsema Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2004 58-412.