
Jurisprudentie
AR7110
Datum uitspraak2004-12-08
Datum gepubliceerd2004-12-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404409/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-12-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404409/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 30 juli 2003, kenmerk 2003WEM002954i, heeft verweerder op verzoek van appellant de looptijd van zijn aan appellant gerichte last onder dwangsom met betrekking tot de gemeentewerf van appellant van 27 januari 2003, kenmerk 2003WEM000362i, op grond van artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht met terugwerkende kracht tot 1 juli 2003 opgeschort.
Uitspraak
200404409/1.
Datum uitspraak: 8 december 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van De Bilt,
appellant,
en
het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 30 juli 2003, kenmerk 2003WEM002954i, heeft verweerder op verzoek van appellant de looptijd van zijn aan appellant gerichte last onder dwangsom met betrekking tot de gemeentewerf van appellant van 27 januari 2003, kenmerk 2003WEM000362i, op grond van artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht met terugwerkende kracht tot 1 juli 2003 opgeschort.
Bij besluit van 13 april 2004, kenmerk 2004WEM001664i, verzonden op 15 april 2004, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de opschortingstermijn verlengd tot 5 september 2003.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 25 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 juni 2004.
Bij brief van 16 september 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 10 november 2004 zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2004, waar appellant vertegenwoordigd door mr. C.F.M. Jungerman en E.J. Dijkkamp, gemachtigde respectievelijk ambtenaar van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. G.M.W. Buysrogge, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant voert aan dat het opschorten van de begunstigingstermijn van de op 27 januari 2003 aan hem opgelegde last onder dwangsom tot 1 juli 2003 niet redelijk is. Hij stelt hierbij dat de datum van 1 juli 2003 ongemotiveerd is vastgesteld en dat hij daar pas op 18 augustus 2003 van in kennis is gesteld.
2.1.1. Verweerder voert aan dat niet de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom wordt opgeschort maar de dwangsom zelf. Tevens voert hij aan dat de dwangsom in het bestreden besluit op bezwaar niet wordt opgeschort tot 1 juli maar tot en met 5 september 2003. Volgens verweerder is de lengte van de termijn van opschorting van de dwangsom in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd.
2.1.2. De Afdeling stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit de looptijd van de aan appellant gerichte last onder dwangsom op grond van artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht met vijftig dagen heeft opgeschort tot 5 september 2003 omdat appellant tijdelijk in de onmogelijkheid verkeerde om aan de aan hem opgelegde last te kunnen voldoen. Tevens stelt de Afdeling vast dat verweerder de termijn van die opschorting in dit besluit uitvoerig heeft gemotiveerd. In hetgeen appellant heeft aangevoerd noch anderszins ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant na afloop van de opschortingstermijn in staat zou zijn aan de last te kunnen voldoen. De stelling van appellant dat het besluit van 30 juli 2003 onvoldoende gemotiveerd was en dat hij daarvan eerst op 18 augustus 2003 in kennis is gesteld kan hieraan niet af doen. Het beroep treft derhalve geen doel.
2.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.
w.g. Schaafsma w.g. Klap
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2004
315.

