Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR7112

Datum uitspraak2004-12-08
Datum gepubliceerd2004-12-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200406831/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 28 januari 2003, kenmerk BMIL1586-1172, heeft verweerder het verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruik van de uitweg van [vergunninghouder] op de [locatie] afgewezen.


Uitspraak

200406831/1. Datum uitspraak: 8 december 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Rheden, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 28 januari 2003, kenmerk BMIL1586-1172, heeft verweerder het verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruik van de uitweg van [vergunninghouder] op de [locatie] afgewezen. Bij besluit van 18 september 2003, kenmerk BMMIL2425-7903, verzonden op 19 september 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 30 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 december 2003. Bij brief van 19 januari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door M.G. Maandag-Rietbergen, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Tevens is namens vergunninghouder mr. L.G.P. Frankfort, advocaat te Arnhem, en [gemachtigde], als partij gehoord. 2.    Overwegingen 2.1.    Appellant voert aan dat [vergunninghouder] op grond van zijn Hinderwetvergunning uit 1967 alleen van de in- en uitrit aan de Dorpsstraat gebruik mag maken. Het gebruik van de in- en uitrit aan de Veerweg kan volgens appellant niet door een Wet milieubeheer melding worden gelegaliseerd. Hiervoor had een vergunning moeten worden aangevraagd. Tevens voert appellant aan dat het aannemersbedrijf van plan is een loods op te richten waardoor het gebruik van de in- en uitrit aan de Veerweg zal worden geïntensiveerd. 2.1.1.    Verweerder voert aan dat de Hinderwetvergunning waar appellant naar verwijst betrekking heeft op een benzinestation. De bedrijfsactiviteiten zijn reeds geruime tijd geleden gewijzigd. Er is nu sprake van een aannemersbedrijf dat van rechtswege onder het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer valt. Het aannemersbedrijf heeft dit op de voorgeschreven wijze gemeld en het gebruik van de in- en uitrit is niet in strijd met het Besluit. 2.1.2.    De Afdeling overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [vergunnininghouder] onder het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer valt. Uit hetgeen appellant heeft aangevoerd noch anderszins is gebleken dat het aannemersbedrijf dit Besluit met het gebruik van de in- en uitrit heeft overtreden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verzoek om handhavend op te treden diende te worden afgewezen. De stelling van appellant dat de in- en uitrit in de toekomst mogelijk intensiever dan op het moment zal worden gebruikt kan hieraan niet af doen. Het beroep is derhalve ongegrond. 2.2.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat. w.g. Schaafsma    w.g. Klap Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2004 315.