Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR7314

Datum uitspraak2004-11-23
Datum gepubliceerd2004-12-10
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers15/094089-03
Statusgepubliceerd


Indicatie

Deelneming aan criminele organisatie; opiumdelicten; OM ontvankelijk; geen doorlaten in de zin van 126ff Sv. Raadsvrouw heeft betoogd dat door de wijze van onderzoek het verdachte onmogelijkheid geworden zich te verdedigingen zonder zich met betrekking tot softdrugs te belasten. Voorts stelt zij dat gehandeld is in strijd met art. 6 EVRM, doordat sprake is geweest van doorlaten in de zin van doorlaten in de zin van 126ff Sv, waardoor mogelijk ontlastend materiaal is onthouden aan de verdediging. De rechtbank verwerpt deze verweren.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE STRAFKAMER Parketnummer : 15/094089-03 Uitspraakdatum: 23 november 2004 Tegenspraak VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv) Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 oktober 2004, 1, 2 en 9 november 2004 in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ingeschreven te [woonplaats], thans gedetineerd in P.I. Midden Holland, HvB Haarlem te Haarlem. 1. Tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak. De raadsvrouw heeft gesteld dat het openbaar ministerie ten aanzien van de vervolging van feit 6 niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Naar haar mening is het verdachte door de wijze van onderzoek onmogelijk geworden zich te verdedigen zonder zich met betrekking tot softdrugs te belasten. Zij stelt dat het openbaar ministerie het vervolgingsrecht voor de handel in softdrugs van verdachte heeft verspeeld omdat, bij die stand van zaken, opzettelijk is nagelaten die verdenking volledig te onderzoeken. De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt. Verdachte heeft in vrijheid besloten te verklaren over zijn betrokkenheid ten aanzien van de handel in softdrugs. De consequenties van de keuze van verdachte voor deze proceshouding komen voor zijn rekening. De rechtbank verwerpt het verweer dan ook. De rechtbank stelt voorts vast dat het openbaar ministerie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3. Bewijs Verweer De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, voor wat betreft de PMK trajecten, bewijsuitsluiting moet volgen ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde, vanwege het optreden van het openbaar ministerie in het licht van de rechten van de verdediging op de voet van artikel 6 EVRM. Zij stelt dat, doordat sprake is geweest van doorlaten in de zin van artikel 126ff Sv, mogelijk ontlastend materiaal is onthouden aan de verdediging. Naar haar mening is daardoor in feite sprake van een omkering van de bewijslast, hetgeen in strijd is met artikel 6 EVRM. Reactie op verweer De rechtbank is van oordeel dat het geval van artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering zich niet voordoet. Bij de destijds bekende stand van zaken kan niet worden gezegd dat de opsporingsinstanties beschikten over de wetenschap dat er sprake was van vervoer van PMK en/of MDMA. Eerst achteraf, na analyse van de informatie, heeft bij de opsporingsinstanties gaandeweg het vermoeden postgevat dat eerdere transporten betrekking hadden op PMK/MDMA. Nu niet is gebleken van doorlaten in de zin van artikel 126ff Wetboek van Strafvordering faalt het beroep op schending van artikel 6 EVRM reeds daarom. De rechtbank verwerpt het verweer. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat hij 1. in de periode van 30 mei 2003 tot en met 6 november 2003 te Zandvoort en/of Zaandam en/of Badhoevedorp en/of Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een of meer hoeveelheden van materialen, bevattende middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, - zich en/of (een) ander(en) heeft getracht gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten te verschaffen en/of - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten of ernstige redenen hadden om te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededaders meermalen, telefonisch gesproken en afspraken gemaakt met een of meer zijn mededaders over het overdragen van (grond)stoffen ten behoeve van de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of verstrekking van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en voertuigen gehuurd en/of ter beschikking gehad voor het vervoer van voornoemde (grond)stoffen en voornoemde (grond)stoffen vervoerd en/of opgeslagen en/of bewaard en/of een vacumeermachine voorhanden gehad teneinde middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I te verpakken; 2. op 5 en 6 november 2003 te Badhoevedorp opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7.119 gram van een materiaal bevattende een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten MDMA; 3. hij in de periode van 30 mei 2003 tot en met 6 november 2003 te Zaandam en/of Badhoevedorp en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het bereiden en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en het plegen van voorbereidingshandelingen daartoe; 4. op 30 september 2003 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer en te Bennebroek tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten cocaïne; 5. op 06 november 2003 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Glock, model 17, kaliber 9mm, serienummer ATZ 536 en munitie van categorie III, te we-ten 12 kogelpatronen, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad; 6. omstreeks de periode van 19 november 2002 tot en met 6 november 2003 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram hashish, zijnde hennep en/of hashish middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4. Strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: 1. Medeplegen van een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen door - zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd; 2. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; 3. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; 4. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; 5. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onder a, van de Wet Wapens en Munitie; Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie; 6. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. 5. Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar. 6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen Hoofdstraf Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie, welke zich onder meer bezig hield met het vervaardigen en vervoeren van harddrugs en grondstoffen voor de bereiding van harddrugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat het op de markt brengen van partijen harddrugs schadelijk is voor de volksgezondheid en dat daarmee de verslavingsproblematiek met alle daarmee gepaard gaande vormen van criminaliteit in stand wordt gehouden. Verdachte en zijn medeverdachte Neo vormden binnen de criminele organisatie een team waarbij de een de ander probleemloos kon vervangen bij zijn eventuele afwezigheid. Verdachte stelde voorts zijn woning annex garage ter beschikking als safehouse. Zo is bij verdachte thuis een tas met ruim 7 kilo MDMA aangetroffen. Voorts heeft verdachte zich gedurende een lange periode intensief beziggehouden met de verkoop van softdrugs. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank uit louter winstbejag gehandeld zonder zich rekenschap te geven van de maatschappelijke gevolgen van zijn handelwijze. Naast dit alles is bij verdachte thuis een wapen aangetroffen met bijbehorende munitie. De aanwezigheid van wapens in woningen brengt gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg. De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat verdachte eerder ter zake overtreding van de Wet Wapens en Munitie in aanraking gekomen is met politie en justitie. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Verbeurdverklaring De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten - een sealmachine - bruin tape - een plastic zak - tassen - een werkhandschoen - een geldtelmachine - twee spuitbussen mispoes - twee werkhandschoenen - een telmachine - folie - dertien zakken - een weegschaal dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten 1, 4 en 6 met behulp van voornoemde voorwerpen die aan verdachte toebehoren, zijn begaan. Onttrekking aan het verkeer De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten - een joint - 17 gram hasj - 50 gram weed - 1 zak hennep - 4 gram hasj - 3 gram hasj - 326 gram weed - 12 patronen - een pistool, merk Glock dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de bewezen geachte feiten 5 en 6 met betrekking tot die voorwerpen zijn begaan. Het ongecontroleerde bezit van voornoemde voorwerpen is in strijd met de wet. 7. Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: Wetboek van Strafrecht: artikel 24, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 55, 57 en 140 Opiumwet: artikel 2, 3, 10, 10a en 11 Wet wapens en Munitie: artikel 26 en 55 8. Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVEN ( 7) JAREN. Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Verklaart verbeurd: - 1.00 STK Diverse SEALMACHINE 200 20204278 - 1.00 STK Diverse Kl:bruin TAPE - 1.00 STK Zak PLASTIC - 1.00 STK Tas INHOUD ZAKKEN - 1.00 STK Handschoen Kl:rood WERK - 1.00 STK Diverse GELDTELMACHINE Kx993C1 - 2.00 STK Spuitbus MISPOES - 2.00 STK Handschoen WERK - 1.00 STK Diverse APPARATUUR telmachine - 1.00 STK Diverse FOLIE rol - 13.00 STK Zak - 1.00 STK Weegschaal METTLER PM6 Verklaart onttrokken aan het verkeer: - 7.00 KG Drugs METHAMFETAMINE in boodschappentas - 17.00 GR Drugs HASJ - 50.00 GR Drugs WEED - 1.00 ZAK Drugs HENNEP - 4.00 GR Drugs HASJ - 3.00 GR Drugs HASJ - 326.00 GR Drugs WEED - 12.00 STK Patroon SCHERP - 1.00 STK Wapen GLOCK 9mm 9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. Honig, voorzitter, mrs. Rosier en Goossens, rechters, in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. Van der Ploeg en Koster, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 november 2004.