Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR7365

Datum uitspraak2004-12-02
Datum gepubliceerd2005-02-01
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 04/1086
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen zelfstandige vergoeding van schade naast de wettelijke rente.


Uitspraak

Rechtbank Arnhem Sector bestuursrecht Registratienummer: AWB 04/1086 Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 13 mei 2004, uitgereikt door Uwv te Hengelo. 2. Procesverloop Bij brief van 30 oktober 2003 is namens eiser verzocht om vergoeding van schade, geleden “als gevolg van het ten onrechte weigeren van ziekengeld, als gevolg van het te laat betalen van de uitkering en als gevolg van het niet, althans niet tijdig en niet voldoende verstrekken van voorschotten”. Bij besluit van 4 maart 2004 heeft verweerder vastgesteld dat eiser recht heeft op vergoeding van de wettelijke rente “over de periode van de te late eerste betaling alsmede de periode van de te late nabetaling van ziekengeld per 19 maart 2003”, en op vergoeding van de kosten van de behandeling van het schadeverzoek, zijnde de eigen bijdrage van € 60,--. Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 4 maart 2004 gehandhaafd. Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 21 oktober 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Balkema voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door dhr. A.C.M. van de Pol. 3. Overwegingen Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken als volgt. Eiser heeft zich op 19 februari 2003 ziek gemeld. Per deze datum had hij recht op een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW). Op 3 april 2003 heeft verweerder een eerste betaling verricht over de periode van 19 februari 2003 tot en met 18 maart 2003. Bij besluit van 10 april 2003 heeft verweerder eiser een waarschuwing gegeven. Reden hiervoor was dat eiser uiterlijk op 20 maart 2003 had moeten meedelen dat hij op 19 maart 2003 weer hersteld was. Nu de hersteldmelding echter eerst op 1 april 2003 was ontvangen, had eiser zijn informatieverplichting geschonden. Feitelijk is de ZW-uitkering per 19 maart 2003 beëindigd. Verweerder heeft hierover geen beschikking afgegeven. Eiser hier ook niet om gevraagd (artikel 52c, derde lid, van de ZW). Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de waarschuwing. Hij heeft in dat kader betwist dat hij zich per 19 maart 2003 hersteld zou hebben gemeld. Om de reden dat het niet mogelijk was gebleken hierover, na onderzoek bij de werkgever, duidelijkheid te verkrijgen, heeft verweerder bij besluit van 14 mei 2003 de bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 10 april 2003 herroepen. Op 2 juli 2003 heeft verweerder een nabetaling verricht over de periode van 19 maart 2003 tot en met 15 juni 2003. De betaling over de periode van 19 februari 2003 tot en met 18 maart 2003 heeft ongeveer twee weken te laat plaatsgevonden (artikel 47 van de ZW), en de betaling over de periode van 19 maart 2003 tot en met 15 juni 2003 is met ruim drie maanden vertraagd. In de eerdergenoemde brief van 30 oktober 2003 heeft eisers gemachtigde, naast de wettelijke rente en de advocaatkosten voor de behandeling van het schadeverzoek, de volgende schadeposten opgevoerd: debetrente, aanmaningskosten/buitengerechtelijke kosten/heraansluitingskosten Nuon, heraansluitingskosten KPN, buitengerechtelijke kosten huur, buitengerechtelijke kosten Amicon, buitengerechtelijke kosten gemeentelijke belastingen, buitengerechtelijke kosten waterschapsbelastingen en stortingskosten, leningskosten, stortings- en administratiekosten, advocaatkosten en kosten bureau voor rechtshulp. Ter onderbouwing van het verzoek om schade, begroot op ruim € 3.000,--, heeft eisers gemachtigde bewijsstukken aan verweerder overgelegd. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit en de daarop in het verweerschrift en ter zitting gegeven toelichting op het standpunt, kort gezegd, dat de door eiser gestelde schade het gevolg is van vertraging in de voldoening van een geldsom. Dergelijke schade lost zich op in het forfaitaire bedrag van de wettelijke rente over het niet tijdig betaalde bedrag, zodat er daarnaast geen plaats is voor zelfstandige vergoeding van de in de brief van 30 oktober 2003 genoemde schadeposten, aldus verweerder. Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Namens hem heeft zijn gemachtigde aangevoerd dat verweerders standpunt in strijd is met de wet en (nader genoemde) jurisprudentie. Hierbij heeft hij zijn betoog toegespitst op de nabetaling over de periode van 19 maart 2003 tot 15 juni 2003. Te dien aanzien gaat het volgens de gemachtigde niet (alleen) om de te late betaling van een geldsom, maar om een situatie waarin door verweerder een onrechtmatig besluit is genomen (te weten een besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering op grond van de onjuiste aanname dat eiser per 19 maart 2003 niet langer arbeidsongeschikt was in de zin van de ZW). Alsdan beperkt de schadevergoedingsplicht zich uitdrukkelijk niet tot vergoeding van de wettelijke rente, maar geldt voor verweerder een algehele schadevergoedingsplicht, aldus de gemachtigde. Ter zitting heeft eisers gemachtigde desgevraagd bevestigd dat het geschil geen betrekking heeft op de vergoeding van de kosten voor de behandeling van het schadeverzoek. Ten aanzien van de overige in de brief van 30 oktober 2003 genoemde schadeposten overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen staat vast dat het besluit van verweerder, waarbij aan eiser op en na 19 maart 2003 ziekengeld is onthouden, onrechtmatig is. Tevens staat tussen partijen vast dat op verweerder de plicht rust aan eiser de schade te vergoeden die hij als gevolg hiervan heeft geleden. Partijen worden verdeeld gehouden over de vraag of de in de brief van 30 oktober 2003 genoemde schadeposten naast de wettelijke rente voor zelfstandige vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank beantwoordt deze vraag om de hiernavolgende redenen ontkennend. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient voor de vaststelling van de schade zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek normeert de omvang en de duur van de hier aan de orde zijnde schadevergoedingsverplichting. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Gelet hierop, en in lijn met de vaste jurisprudentie van de CRvB op dit punt, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval geen plaats meer is voor een zelfstandige vergoeding van de uit de vertraagde betaling van het ziekengeld beweerdelijk voortgevloeide kosten als genoemd in het verzoek van 30 oktober 2003. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraken van de CRvB van 16 april 1996 (JB 1996/118), 1 april 1997 (USZ 1997/111), 29 juli 1997 (JB 1997/220) en 19 mei 1998 (JB 1998/185). Ook in deze zaken was sprake van nabetalingen na eerder genomen, en later ingetrokken/vernietigde, onrechtmatige besluiten. De beweerdelijk uit de vertraagde betaling voortgevloeide schade, zoals extra rente, incasso- en executiekosten, ziektekosten en gederfde winst, komt volgens de CRvB naast de wettelijke rente niet voor zelfstandige vergoeding in aanmerking. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat de vergelijking van eisers gemachtigde met belastingschade en huursubsidieschade niet opgaat. De gemachtigde stelt terecht dat deze schade naast de wettelijke rente zelfstandig voor vergoeding in aanmerking kan komen. Redengevend hiervoor is echter dat deze vormen van schade als directe oorzaak hebben het feit dat uitkeringsbedragen die op meerdere jaren betrekking hebben, op een zeker moment in een bedrag ineens worden uitbetaald, als gevolg waarvan een hoger bedrag aan belasting verschuldigd is, of geen of een lager recht op huursubsidie bestaat dan wanneer de uitkeringsbedragen op de normale tijdstippen zouden zijn betaald. Deze schade kan op geen enkele wijze vermeden of voorkomen worden. De door eiser gestelde schade had daarentegen wel vermeden of voorkomen kunnen worden, waarbij gedacht kan worden aan het afsluiten van een lening. Overigens zou de voor een dergelijke lening te betalen rente evenmin zelfstandig voor vergoeding in aanmerking zijn gekomen, omdat ook voor vergoeding van die rente, naast vergoeding van de wettelijke rente, geen plaats is. Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval terecht en op goede gronden heeft volstaan met de vergoeding van de wettelijke rente over de tijd dat verweerder met betaling van het ziekengeld in verzuim is geweest. Ook hetgeen voor het overige door eisers gemachtigde in het beroepschrift en ter zitting naar voren is gebracht, waaronder de grief dat sprake is van strijd met artikel 1 van het 1e protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, kan hieraan niet afdoen. De wijze waarop verweerder de wettelijke rente heeft berekend, is door eiser niet aangevochten, zodat de rechtbank zich daarover niet behoeft uit te laten. Nu het bestreden besluit in rechte stand kan houden, is het beroep ongegrond. De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Beslist wordt als volgt. 4. Beslissing De rechtbank, verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. K.A.M. van Hoof, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Smeenk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2004 De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op: 7 december 2004