
Jurisprudentie
AR7367
Datum uitspraak2004-12-09
Datum gepubliceerd2005-02-01
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 04/1116
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-02-01
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 04/1116
Statusgepubliceerd
Indicatie
Beleid langdurigheidstoeslag niet in strijd met Abw. Oppaswerk is geen vriendendienst.
Uitspraak
Rechtbank Arnhem
Sector bestuursrecht
Registratienummer: AWB 04/1116
Uitspraak
ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[eiseres], eiseres,
wonende te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 19 april 2004.
2. Procesverloop
Bij besluit van 30 januari 2004 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 5 december 2003 voor de langdurigheidstoeslag 2003 afgewezen.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 1 november 2004. Eiseres is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich zoals aangekondigd niet doen vertegenwoordigen.
3. Overwegingen
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres niet voldoet aan het vereiste voor toekenning van langdurigheidstoeslag dat zij in de periode 1 oktober 2000 tot 1 oktober 2003 geen inkomsten uit en/of in verband met arbeid heeft gehad. Gelet op de uitdrukkelijke crtiteria voor de toekenning van de langdurigheidstoeslag kan volgens verweerder met de stelling van eiseres dat deze inkomsten geheel zijn besteed aan de kosten van het dieet van haar zoontje geen rekening worden gehouden.
Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op haar stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.
Ten aanzien van het door verweerder gehanteerde wettelijke kader overweegt de rechtbank allereerst als volgt.
Verweerder heeft bij het bestreden besluit toepassing gegeven aan de Algemene bijstandswet (Abw) met de motivering dat met invoering van de Wet werk en bijstand (WWB) de Abw weliswaar is komen te vervallen, maar dat op basis van artikel 21, eerste lid, onder b, van de Invoeringswet Wet Werk en Bijstand (IWWB) met toepassing van de Abw op het bezwaarschrift dient te worden beslist.
De conclusie dat de Abw in het onderhavige geval van toepassing is, is naar het oordeel van de rechtbank juist, de motivering is echter een andere dan door verweerder gesteld. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Op grond van het Inwerkingtredingsbesluit (Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 386) zijn met ingang van 1 januari 2004 de WWB en de Invoeringswet Wet Werk en Bijstand (IWWB) in werking getreden. De Abw is daarbij ingevolge artikel 2, eerste lid, van de IWWB gelijktijdig ingetrokken.
Onder verwijzing naar haar uitspraak van 31 augustus 2004, JWWB 2004, 358 overweegt de rechtbank dat nu de aanvraag voor langdurigheidstoeslag betrekking heeft op een periode gelegen vóór 1 januari 2004 de aanspraak op langdurigheidstoeslag dient te worden beoordeeld aan de hand van de voorschriften zoals die golden in de periode waarop de aanspraak betrekking heeft.
Derhalve dient naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval met toepassing van de Abw te worden beslist.
Vervolgens is aan de orde de partijen verdeeld houdende vraag of eiseres voor het jaar 2003 recht heeft op de aangevraagde langdurigheidstoeslag.
Niet in geding is dat eiseres in de maanden oktober, november en december 2002 als vergoeding voor oppaswerkzaamheden drie keer een bedrag van € 38,- heeft ontvangen.
Verweerder heeft het door hem te voeren beleid inzake de langdurigheidstoeslag neergelegd in de Richtlijn Langdurigheidstoeslag 2003. Hieruit blijkt dat de langdurigheidstoeslag is bestemd voor langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectief. Uitgangspunt is dat een persoon recht heeft op de langdurigheidstoeslag indien hij inwoner van de gemeente Nijmegen is, de leeftijd van 23 tot 65 jaar heeft, gedurende minimaal 3 jaar onafgebroken een bijstandsuitkering heeft ontvangen en gedurende deze periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft genoten.
De rechtbank acht dit beleid niet in strijd met de bepalingen van de Abw en is tevens van oordeel dat verweerder met dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven.
De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het bestreden besluit uitvoering aan het door hem voorgestane beleid heeft gegeven. Gelet op de inkomsten van eiseres voldoet zij niet aan het criterium dat zij gedurende minimaal drie jaar geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen.
De stelling van eiseres dat zij de oppaswerkzaamheden in het kader van een vriendendienst heeft verricht en niet zag als werk, treft geen doel. De oppaswerkzaamheden moeten worden aangemerkt als het verrichten van productieve arbeid, die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt, te meer daar eiseres voor de oppaswerkzaamheden vergoedingen heeft ontvangen. Dat eiseres de oppaswerkzaamheden heeft verricht in haar vrije tijd en buiten de reguliere werktijden doet hier niet aan af.
Dat eiseres de geringe inkomsten uit arbeid heeft aangewend voor de kosten van het dieet van haar zoontje vormt naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid op basis waarvan verweerder in afwijking van zijn beleid toch tot verstrekking van de langdurigheidstoeslag had behoren over te gaan.
Het betoog van eiseres dat zij voor het verrichten van werkzaamheden wordt gestraft door het niet toekennen van de aangevraagde langdurigheidstoeslag kan de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden. Daarbij merkt de rechtbank op dat de langdurigheidstoeslag slechts is bedoeld voor langdurige minima die geen kans op werk hebben, tot welke doelgroep eiseres niet behoort.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen.
Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.
De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Barrau, rechter, in tegenwoordigheid van F.E.M. Rosmalen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op
9 december 2004.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Verzonden op: 9 december 2004

