Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR7462

Datum uitspraak2004-12-02
Datum gepubliceerd2004-12-14
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/773 WUBO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Er is sprake van een lichte chronische incomplete PTSS tengevolge van de oorlogservaringen, maar daardoor wordt eiseren in haar persoonlijk en sociaal leven niet belemmerd nu zij overdag een normaal activiteitenpatroon ontwikkelt en vele en goede sociale contacten onderhoudt.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/773 WUBO U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 22 december 2003, kenmerk JZ/E70/2003, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 21 oktober 2004, alwaar partijen - verweerster met bericht van verhindering - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Eiseres, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, heeft in april 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend, primair ertoe strekkend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Deze aanvraag heeft eiseres gebaseerd op lichamelijke en psychische klachten, die naar haar mening een gevolg zijn van haar ervaringen tijdens de periode van naoorlogse ongeregeldheden (de zogenoemde Bersiapperiode) in het voormalige Nederlands-Indiƫ. Verweerster heeft de aanvraag van eiseres afgewezen bij besluit van 24 oktober 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat eiseres weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet - te weten haar internering in kamp Soemobito - maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit. In het bijzonder is in aanmerking genomen dat bij eiseres wel sprake is van lichte psychische klachten in verband met haar oorlogservaringen, maar dat deze geen beperkingen opleveren in haar dagelijks functioneren. De lichamelijke klachten van eiseres, te weten status na tbc en een borstoperatie alsmede haar rug- en beenklachten, zijn naar het oordeel van verweerster niet in verband te brengen met haar oorlogservaringen. In bezwaar en beroep heeft eiseres zich met name gekeerd tegen de opvatting van verweerster dat bij haar geen sprake is van blijvende psychische invaliditeit. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt. Blijkens de gedingstukken staat verweerster, zoals hiervoor al vermeld, ten aanzien van de psychische klachten van eiseres op het standpunt dat deze niet van zodanige aard en omvang zijn dat gesproken kan worden van een voor toepassing van de Wet in aanmerking te nemen invaliditeit. Deze zienswijze van verweerster is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal artsen/geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op de resultaten van een op verzoek van verweerster door de arts G.J. Laatsch ingesteld medisch onderzoek van eiseres en op uit de behandelende sector verkregen informatie. In deze adviezen is aangegeven dat bij eiseres sprake is van een lichte chronische incomplete PTSS tengevolge van de oorlogservaringen, maar dat eiseres daardoor in haar persoonlijk en sociaal leven niet wordt belemmerd nu zij overdag een normaal activiteitenpatroon ontwikkelt en vele en goede sociale contacten onderhoudt. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Uit de ter beschikking staande medische en andere gegevens is de Raad niet kunnen blijken van enig aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch letsel. Daarbij laat de Raad ook wegen dat eiseres zich in verband met de gestelde psychische klachten nimmer onder medische behandeling heeft gesteld. Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit, voorzover in beroep aangevochten, in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Beslist wordt derhalve als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2004. (get.) G.L.M.J. Stevens. (get.) J.P. Schieveen.