
Jurisprudentie
AR7605
Datum uitspraak2005-02-01
Datum gepubliceerd2005-02-01
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01537/04 E
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-02-01
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01537/04 E
Statusgepubliceerd
Indicatie
1. 's Hofs oordeel dat verdachte (die tijdelijk op haar terrein visafval ongekoeld had neergezet) visafval heeft "opgeslagen" in de zin van art. 5.1 Destructiewet is onjuist noch onbegrijpelijk. 2. Pluimvee is slechts gespecificeerd hoog-risico-materiaal indien het ingevolge de Landbouwwet ongeschikt is verklaard voor menselijke consumptie. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de partij kipafval vóór of op het bewezenverklaarde tijdstip ongeschikt was voor menselijke consumptie. 3. De in art. 2.3 Destructiewet genoemde exceptie heeft alleen betrekking op de in lid 1 onder d uitgezonderde producten, te weten huiden, etc.
Conclusie anoniem
Nr. 01537/04 E
Mr. Vellinga
Zitting: 7 december 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5, eerste lid onder b, van de Destructiewet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, 3: het medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, en 4: het medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid onder b, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een geldboete van € 7.500,00, alsmede wegens 2 subsidiair: het medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 12, eerste lid, van de Destructiewet, begaan door een rechtspersoon veroordeeld tot een geldboete van € 5000. Voorts is ten aanzien van laatstgenoemd feit een maatregel opgelegd als bedoeld in art. 8 onder c WED.
2. Namens verdachte heeft dr. D.J.P.M. Vermunt, advocaat te Arnhem, acht middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel houdt in dat het Hof ter zake van het onder 1 tenlastegelegde ten onrechte heeft bewezenverklaard dat visafval is opgeslagen, dan wel dat het Hof een verweer inhoudende dat niet van opslag maar van overslag van visafval sprake was, niet behoorlijk gemotiveerd heeft verworpen.
4. Onder 1 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"Verdachte op 14 mei 2002 en 26 juni 2002, in de gemeente Urk, opzettelijk, zonder vergunning van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, een bedrijf waarin laag-risico materiaal, te weten visafval, wordt opgeslagen, heeft uitgeoefend;"
5. Art. 5 Destructiewet luidt voor zover van belang:
"1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister:
a. een verwerkingsbedrijf voor hoog- of gespecificeerd hoog-risicomateriaal op te richten, in werking te hebben, in werking te houden, uit te breiden of te wijzigen;
b. een bedrijf waarin laag-risico-materiaal wordt opgeslagen of wordt voorbewerkt, dan wel een verwerkingsbedrijf waarin laag-risico-materiaal tot ingrediënten van diervoeder of vismeel wordt verwerkt, te beginnen, uit te oefenen, uit te breiden of te wijzigen;
c. een crematorium voor dode paarden op te richten, in werking te hebben, in werking te houden, uit te breiden of te wijzigen.
2. (...)"
6. Ter terechtzitting van het Hof is namens de verdachte aangevoerd:
"Wat betreft de verweten opslag wens ik het volgende op te merken. Er wordt niets met het visafval gedaan, alvorens de overslag plaatsheeft. Het afval wat er op een dag binnenkomt, wordt dezelfde dag nog afgevoerd. De besloten vennootschap heeft ook geen ruimte voor opslag. Het visafval dient na vierentwintig uur gekoeld te worden en daar heeft het bedrijf geen voorzieningen voor. Kijkend naar het normale spraakgebruik, dan kan niet gesteld worden dat er in het onderhavige geval sprake is van opslag."
Te dier zake houdt de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota van verdachtes raadsman in:
"11. In eerste aanleg is de werkwijze in Urk al uitgebreid toegelicht. Het gaat hier om de verwerking van vers visafval dat door de oorsprongsbedrijven direct wordt aangeleverd bij [verdachte]. Dat verse visafval wordt vervolgens direct, zonder uitzondering diezelfde dag, overgeslagen in vrachtwagens en eveneens diezelfde dag vervoerd naar haar afnemers. In Urk gebeurt dus niet meer dan inzameling en overslag van visafval. In Urk ontstaan geen voorraden en vindt dus geen opslag plaats. Voor opslag vereist de wet overigens ook dat het visafval gekoeld wordt bewaard. [Verdachte] heeft in Urk niet eens een gekoelde ruimte om visafval op te slaan.
12. Het verweer dat er geen sprake is geweest van opslag, is tevens bedoeld als kwalificatieverweer. De Politierechter is daarop ten onrechte in zijn motivering niet ingegaan."
7. Met betrekking tot de behandeling van visafval door de verdachte op 14 mei 2002 en 26 juni 2002 houden de bewijsmiddelen het volgende in. Op 14 mei 2002 stonden acht bakken gevuld met visafval buiten; deze waren niet afgedekt. Het verzamelen van visafval geschiedde in een open vrachtwagen-oplegger op de openbare weg ruim toegankelijk voor vogels en weersinvloeden, terwijl de oplegger een groot deel van de dag zo stond opgesteld. Op 26 juni 2002 werden op het terrein van verdachte acht bakken met visafval aangetroffen; deze waren aan de bovenkant niet afgesloten. Op het terrein stonden drie opleggers. Eén oplegger stond onder een pijp waar visafval uitkwam. Omstreeks 11.00 uur werd in een oplegger van [betrokkene 1] bij een visfileerbedrijf in Urk door middel van een heftruck (kennelijk) visafval geladen. Vervolgens werd deze oplegger op het terrein van [verdachte], [a-straat 1] te Urk neergezet en afgekoppeld. Deze oplegger stond om 13.15 uur nog op dezelfde plek. De buitentemperatuur was ongeveer 21 graden Celsius.
8. Het Hof heeft naar aanleiding van genoemd verweer overwogen:
"De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd -zakelijk weergegeven- dat in het normale spraakgebruik er vanuit wordt gegaan dat opslaan tot doel heeft een voorraad te vormen waarmee na een zekere tijd activiteiten worden verricht. Verder heeft de raadsman betoogd dat de wet voor opslag vereist dat het visafval gekoeld wordt bewaard (zie ter nadere adstructie de aan het hof overgelegde en aan het verkort proces-verbaal gehechte pleitnota).
Naar het oordeel van het hof valt taalkundig mede onder opslag het tijdelijk neerzetten van materiaal, zoals in casu is geschied.
Wat betreft de opmerking van de raadsman dat de wet voor opslag vereist dat het visafval gekoeld wordt bewaard, merkt het hof op dat de wet voorschrijft dat in het geval visafval wordt opgeslagen dit afval gekoeld dient te worden bewaard. In de wet staat niet dat er slechts van opslag sprake is als het visafval gekoeld wordt bewaard."
9. Art. 9 Destructiewet luidt voor zover van belang:
"1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de verwerkingsbedrijven voor hoog- of gespecificeerd hoog-risicomateriaal, de verwerkingsbedrijven voor laag-risico-materiaal en de bedrijven waarin laag-risico-materiaal wordt opgeslagen of wordt voorbewerkt, het ophalen, het vervoer, de identificatie en de bewaring van destructiemateriaal, de ten aanzien van het destructiemateriaal te voeren administratie, alsmede het eindprodukt van de verwerking.
2. (...)"
10. Gelet op het bepaalde in art. 9 Destructiewet beoogt de Destructiewet ter verwezenlijking van het bepaalde in richtlijn 90/667/EEG(1) een regeling te treffen voor de hele keten van werkzaamheden die moeten worden verricht teneinde ondeugdelijk materiaal van dierlijke herkomst voor mens en dier onschadelijk te maken.(2) Zou het uit de bewijsmiddelen blijkende tijdelijk laten staan van bakken en/of voertuigen met visafval niet onder opslaan in de zin van art. 5 en 9 Destructiewet worden begrepen omdat het als overslaan zou moeten worden aangemerkt, dan zou dit betekenen dat de Destructiewet niet de gehele keten van de hiervoor bedoelde werkzaamheden zou omvatten. Art. 9 Destructiewet spreekt immers van opslaan, ophalen en vervoeren, maar niet van overslaan. Daarom getuigt het oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is de bewezenverklaring ten aanzien van het opslaan voldoende met redenen omkleed.
11. In de toelichting op het middel wordt er op gewezen dat aan de verdachte op 18 oktober 2002 een vergunning voor "LRM-opslag, overslag en/of voorbewerking" is verleend. Daarop is niet eerder beroep gedaan en ten aanzien van de in de toelichting op het middel gegeven beschrijving van de vergunning heeft het Hof ook niets vastgesteld. Daarom kan dat niet voor het eerst in cassatie geschieden. Overigens heeft het Hof wel vastgesteld (bewijsmiddel 11) dat de op 18 oktober 2002 aan de verdachte verstrekte vergunning een vergunning is die is verleend op basis van art. 5, lid 1 onder b, Destructiewet. Daarom wijst hetgeen in de toelichting op het middel over de vergunning wordt opgemerkt er op dat - veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat hetgeen in de toelichting op het middel wordt gesteld juist is - de vergunningverlener van oordeel is dat het in art. 5 lid 1 onder b gebezigde begrip "opslaan" ook overslaan omvat.
12. Het middel faalt.
13. Het tweede middel klaagt dat het Hof een verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige op ontoereikende gronden heeft verworpen, althans de bewezenverklaring onvoldoende met redenen heeft omkleed door de verklaring van [betrokkene 1] voor het bewijs te gebruiken zonder uiteen te zetten waarom deze daartoe ondanks de toelichting op het verzoek kon worden gebezigd.
14. Het Hof heeft het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige in zijn arrest als volgt weergegeven en verworpen:
"De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat de politierechter op grond van de verklaring van [betrokkene 1] van 30 mei 2002, opgemaakt en ondertekend door H. Hoiting voornoemd, waarin [betrokkene 1] heeft verklaard dat de besloten vennootschap [verdachte] verantwoordelijk is voor het inzamelen, het opslaan en afvoeren van het visafval in Urk, ten onrechte zou hebben bewezenverklaard dat verdachte een bedrijf heeft uitgeoefend waarin visafval wordt opgeslagen. [Betrokkene 1] heeft daarbij niet bedoeld te erkennen dat in Urk vis wordt opgeslagen, aldus de raadsman.
De raadsman heeft hierop verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, teneinde [betrokkene 1] in de gelegenheid te stellen om ter terechtzitting van het hof te benadrukken dat in Urk verse visafval wordt ingezameld, overgeslagen en vervolgens getransporteerd, maar dat er geen sprake is van opslag.
Het hof wijst af dit verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1], aangezien zodanig verhoor door het hof niet noodzakelijk wordt geacht."
15. In aanmerking genomen dat het verzoek tot het horen van de getuige is gebaseerd op een opvatting over "opslaan" in de zin van art. 5, lid 1 en onder b, Destructiewet, die - zoals bij de bespreking van het eerste middel aan de orde is geweest - door het Hof terecht onjuist is bevonden, heeft het Hof de afwijzing van het verzoek voldoende met redenen omkleed en behoefde het Hof het gebruik van de verklaring van [betrokkene 1] voor het bewijs niet nader te motiveren.
16. Het middel faalt.
17. Het derde middel houdt in dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft aangemerkt als "meermalen gepleegd".
18. Volgens de toelichting op het middel levert het bewezenverklaarde niet twee op zichzelf staande handelingen op omdat het opslaan van visafval op 14 mei 2002 en 26 juni 2002 deel uitmaakte van het door de verdachte als bedrijf opslaan van visafval.
19. Het middel miskent dat de verdachte niet is vervolgd wegens het bedrijfsmatig opslaan van visafval maar wegens het bedrijfsmatig opslaan van visafval zonder vergunning. Waarom het op twee verschillende data handelen zonder vergunning niet als twee afzonderlijke feiten in de zin van de samenloopbepalingen kan worden aangemerkt valt niet in te zien. Een bedrijf kan immers steeds ten aanzien van nieuwe partijen visafval opnieuw handelen in strijd met het verbod van art. 5 lid 1 onder b Destructiewet of er juist voor kiezen dat niet te doen. Het bedrijfsmatig karakter van verdachtes handelen ligt toch niet in het handelen zonder vergunning ?
20. Het middel faalt.
21. Het vierde middel houdt in dat het onder 2 bewezenverklaarde onvoldoende met redenen is omkleed omdat de partij kipafval waarop de bewezenverklaring betrekking heeft op de in de bewezenverklaring genoemde datum van 14 mei 2002 nog niet was aangemerkt als gespecificeerd hoog-risico-materiaal als bedoeld in art. 2 lid 7 Destructiewet jo. art. 2 Regeling aanwijzing gespecificeerd hoog-risico-materiaal.
22. Onder 2 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"Zij op 14 mei 2002, in de gemeente Urk, tezamen en in vereniging met anderen, als houder van gespecificeerd hoog-risico-materiaal, te weten ongeveer 500 ton kipafval, niet aan hun verplichting hebben voldaan dit overeenkomstig de door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gestelde regels, te administreren en aan te geven bij en ter beschikking te houden van en af te staan aan de ondernemer binnen wiens werkgebied dit materiaal zich bevond, immers hebben verdachte en/of haar mededaders toen aldaar in strijd met het gestelde in artikel 2 lid 2 van de Regeling eisen eigenaar of houder van destructiemateriaal als aangifteplichtige dat kipafval niet zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op de eerste werkdag, volgend op de dag waarop dit materiaal als zodanig is ontstaan aangegeven bij [A] B.V.;"
23. Art. 2 Destructiewet luidt voor zover van belang:
"1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder hoog-risico-materiaal dierlijk afval, voor zover het betreft:
a. (..);
b. (...);
c. dierlijk afval, dat ingevolge de vleeskeuringswet of de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren onbruikbaar moet worden gemaakt voor voedsel voor mens en dier, alsmede alle pluimvee - of delen daarvan -, dat ingevolge de Landbouwwet ongeschikt is verklaard voor menselijke consumptie;
(...)
7. Bij regeling van Onze Minister kan als gespecificeerd hoog-risico-materiaal worden aangewezen:
a. slachtdieren, of delen daarvan;
b. dierlijk afval."
24. Art. 2 Regeling aanwijzing gespecificeerd hoog-risico-materiaal(3) luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit voor zover van belang:
"1. Als gespecificeerd hoog-risico-materiaal als bedoeld in artikel 2, zevende lid , van de Destructiewet worden aangewezen:
a. (...);
b. hoog-risico-materiaal als bedoeld in artikel 2, eerste lid , onderdelen a , b, c, d, e, f, h en i van de wet;
c. (...)"
25. In keuring van vers vlees van pluimvee is voorzien in art. 4.4 van de Regeling keuring en handel dierlijke producten:
"Vers vlees van pluimvee, voor zover het karkassen en slachtafval betreft:
a. (...)
d. is na het slachten gekeurd overeenkomstig hoofdstuk VIII van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG en niet ongeschikt verklaard voor menselijke consumptie overeenkomstig hoofdstuk IX van voornoemde bijlage, met dien verstande dat de onderdelen a en b van punt 47, tweede alinea, van hoofdstuk VIII van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG volgens aanwijzingen en onder rechtstreekse controle van de keuringsdierenarts kunnen worden uitgevoerd door hiertoe speciaal opgeleid personeel van de inrichting, dat voldoet aan door de minister vastgestelde voorwaarden;
e. (...)"
26. Uit voorgaande bepalingen, in het bijzonder art. 2 aanhef en onder c Destructiewet volgt dat - zoals in de toelichting op het middel wordt betoogd - pas van gespecificeerd hoog-risico-materiaal sprake is wanneer het vlees ongeschikt is verklaard voor menselijke consumptie.
27. Bewijsmiddel 15 houdt in dat de partij kipafval waarop de bewezenverklaring betrekking heeft ongeschikt is verklaard voor menselijke consumptie. Uit dat bewijsmiddel noch uit andere bewijsmiddelen blijkt wanneer het kipafval ongeschikt is verklaard voor menselijke consumptie. Bewijsmiddel 12 houdt wel in dat het kipafval door drs. P.A. van der Werf op 14 mei 2002 is omschreven als hoog-risico-materiaal, maar niet dat hij het kipafval als daartoe bevoegd keuringsdierenarts (vgl. art. 6 Regeling keuringsdienst 1984) ongeschikt heeft verklaard voor menselijke consumptie.
28. Een en ander brengt mee dat het onder 2 bewezenverklaarde onvoldoende met redenen is omkleed.
29. Het middel slaagt.
30. Het vijfde middel klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde innerlijk tegenstrijdig is en niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen.
31. Onder 2 heeft het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"Zij op 14 mei 2002, in de gemeente Urk, tezamen en in vereniging met anderen, als houder van gespecificeerd hoog-risico-materiaal, te weten ongeveer 500 ton kipafval, niet aan hun verplichting hebben voldaan dit overeenkomstig de door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gestelde regels, te administreren en aan te geven bij en ter beschikking te houden van en af te staan aan de ondernemer binnen wiens werkgebied dit materiaal zich bevond, immers hebben verdachte en/of haar mededaders toen aldaar in strijd met het gestelde in artikel 2 lid 2 van de Regeling eisen eigenaar of houder van destructiemateriaal als aangifteplichtige dat kipafval niet zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op de eerste werkdag, volgend op de dag waarop dit materiaal als zodanig is ontstaan aangegeven bij [A] B.V.;"
32. Volgens de toelichting op het middel is deze bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig omdat enerzijds is bewezenverklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen niet aan de in de bewezenverklaring genoemde verplichting heeft voldaan, en anderszijds dat verdachte en/of haar mededaders het kipafval niet tijdig hebben aangegeven bij [A] B.V.. Met name de variant "of haar mededaders" zou zich niet verdragen met het eerder bewezenverklaarde "tezamen en in vereniging".
33. Ik kan het middel hierin niet volgen. Met "of haar mededaders" is in de bewezenverklaring kennelijk tot uitdrukking gebracht dat iemand, hetzij verdachte, hetzij (een van haar) mededaders, ter voldoening aan art. 2 lid 2 Regeling eisen eigenaar of houder van destructiemateriaal, als aangifteplichtige aangifte had kunnen doen bij [A] doch dat noch verdachte, noch (een van haar) mededaders dat heeft gedaan, en dat dus verdachte tezamen en in vereniging met anderen niet heeft voldaan aan de in de bewezenverklaring bedoelde wettelijke verplichting.
34. Volgens de toelichting op het middel kan het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid omdat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat er op de in de in de bewezenverklaring genoemde datum meerdere houders van het onderhavige kipafval waren.
35. Ook hierin kan ik het middel niet volgen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk en zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting heeft het Hof naast de verdachte ook de in de bewijsmiddelen genoemde directeur van verdachte, [betrokkene 2], en de eveneens in de bewijsmiddelen genoemde bedrijfsleider van verdachte, [betrokkene 3], aangemerkt als houder van het kipafval als bedoeld in art. 1 Regeling eisen eigenaar of houder van destructiemateriaal.
36. Het zesde middel klaagt dat het Hof heeft doen blijken van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in art. 2 Destructiewet, omdat het heeft miskend dat art. 2 lid 3 van genoemde wet bepaalt dat alle delen van een geslacht dier die, zoals in casu, niet aan keuring na het slachten zijn onderworpen, als laag-risico-materiaal moeten worden aangemerkt voor zover deze worden gebruikt bij het vervaardigen van ingrediënten van diervoeder.
37. Art. 2 Destructiewet luidt voor zover van belang:
"1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder hoog-risico-materiaal dierlijk afval, voor zover het betreft:
a. (...);
c. dierlijk afval, dat ingevolge de vleeskeuringswet of de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren onbruikbaar moet worden gemaakt voor voedsel voor mens en dier, alsmede alle pluimvee - of delen daarvan -, dat ingevolge de Landbouwwet ongeschikt is verklaard voor menselijke consumptie;
d. alle delen van een geslacht dier, die niet aan de keuring na het slachten zijn onderworpen, met uitzondering van huiden, vellen, hoeven, veren, wol, hoornen en andere soortgelijke delen;
e. (...).
3. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder laag-risico-materiaal dierlijk afval van de in het eerste lid bedoelde dieren en vis, dat niet ingevolge het eerste lid als hoog-risico-materiaal wordt aangemerkt, met dien verstande dat de ingevolge onderdeel d van dat lid daarvan uitgezonderde produkten slechts als laag-risico-materiaal worden aangemerkt, voor zover deze worden gebruikt bij de vervaardiging van ingrediënten van diervoeder.
4. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder laag-risico-materiaal tevens verstaan niet voor menselijke consumptie bestemde poten en koppen, uitsluitend afkomstig van pluimvee waarbij noch bij de keuring voor het slachten overeenkomstig hoofdstuk VI van bijlage 1 bij Richtlijn 71/118/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van de produktie en het in de handel brengen van vers vlees van pluimvee (PbEG 1993, L 62), noch bij de keuring van het karkas na het slachten overeenkomstig hoofdstuk VIII van die bijlage, klinische verschijnselen van op mens of dier overdraagbare ziekten zijn vastgesteld.
5. (...)"
38. Het middel berust op onjuiste lezing van art. 2 lid 3 Destructiewet. De in die bepaling genoemde uitzondering heeft alleen betrekking op de ingevolge onderdeel d van lid 1 van de aanwijzing als hoog-risico-materiaal uitgezonderde produkten, te weten huiden, vellen, hoeven, veren, wol, hoornen en andere soortgelijke delen. Daarbij teken ik aan dat kippepoten en kippekoppen, waarvan blijkens de gebezigde bewijsmiddelen in het onderhavige geval sprake was, niet onder "soortgelijke delen" als bedoeld in art. 2 lid 1, aanhef en onder d, Destructiewet worden begrepen.(4)
39. Het middel faalt.
40. Het zevende middel stelt dat het onder 3 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, omdat ten aanzien van de verdachte uit de bewijsmiddelen niet kan blijken van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking.
41. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"Zij op 14 mei 2002, in de gemeente Urk, terwijl aan [C] B.V. door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Urk bij besluit van 14 september 2000 (onder nummer [...]) een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [a-straat 1], kadastraal bekend gemeente Urk, sectie(s) [...], nummer(s) [...], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 9.1 aanhef en onder e van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan voormelde vergunning, immers hebben zij, verdachte en haar mededader, toen aldaar tezamen en in vereniging met een ander in strijd met voorschrift 4.1.1. van voornoemde vergunning visafval buiten het gebouw van de inrichting opgeslagen;"
42. Met betrekking tot dit feit houden de bewijsmiddelen in dat [B] B.V. te [plaats A] in Urk een locatie heeft waar visafvallen worden verzameld en weer afgevoerd, dat op 14 mei 2002 op de openbare weg een vorkheftruck van [C] B.V. stond met daarachter gekoppeld een open aanhangwagen, dat daarop acht roestvrijstalen, niet afgesloten bakken gevuld met visafval stonden, die niet waren afgedekt, en dat op 11 september 2000 aan [C] B.V. ingevolge de Wet Milieubeheer vergunning is verleend voor het inzamelen, gekoeld bewaren en afvoeren van visresten voor een inrichting aan de [a-straat 1] te Urk.
43. Voorts heeft het Hof voor het bewijs gebezigd:
- de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 2):
"Ik ben [betrokkene 1], directeur van [B] B. V.
De B. V. die verantwoordelijk is voor het inzamelen, opslaan en afvoeren van visafvallen op de [a-straat 1] te Urk is [verdachte]. Sinds een jaar of vijf slaan wij hier ook kipafval op, omdat de vriesruimte anders leeg staat. Er staat ongeveer 500 ton aan kipafval opgeslagen. Vanaf 1996 hebben wij een LRM(5)-vergunning voor de visafvallen te [plaats A]."
- de verklaringen van [betrokkene 2], vertegenwoordiger van verdachte:
" Ik ben directeur van [B] B.V. te [plaats A]. In Urk hebben wij een locatie dat visafvallen inzamelt en weer afvoert. Dit valt onder [verdachte]. Wij hebben nog nooit geëtiketteerd op LRM. Wij hebben in Urk geen erkenningnummer zoals in [plaats A]."(bewijsmiddel 3),
en:
"In oktober jongstleden hebben we de vergunning voor de locatie Urk gekregen. Tot die tijd hebben we gewerkt met de vergunning die was afgegeven voor de locatie [plaats A]." (bewijsmiddel 7)"
44. Gelet op de hiervoor aangehaalde verklaringen van [betrokkene 1 en betrokkene 2] heeft het Hof kunnen oordelen dat tussen de verdachte en [C] B.V. sprake was van een zo nauwe en volledige samenwerking, gericht op het opslaan van visafval buiten het gebouw van de inrichting dat van medeplegen kan worden gesproken. In het bijzonder wijs ik op hetgeen [betrokkene 2] als vertegenwoordiger van de verdachte heeft verklaard, waaruit immers kan worden afgeleid dat de verdachte bij [C] B.V. een zo belangrijke vinger in de pap had dat zij kon bepalen onder welke vergunning door [C] B.V. werd gewerkt.
45. het middel faalt.
46. Het achtste middel is gericht tegen de motivering van het onder 4 bewezenverklaarde. Volgens de toelichting op het middel kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat ook op 26 juni 2002 sprake was van verandering van de werking van de inrichting.
47. Het Hof heeft onder 4 ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"Zij op 14 mei 2002 en 26 juni 2002, in de gemeente Urk, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in/of op of nabij perceel [a-straat 1] gelegen inrichting voor het opslaan of overslaan van visresten, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 9.1 aanhef en onder e. van de bij de Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende bijlage I, hebben veranderd of de werking daarvan hebben veranderd, hierin bestaande dat zij, verdachte en haar mededader(s), toen aldaar een hoeveelheid kipafval hebben opgeslagen."
48. De bewijsmiddelen houden in dat op 14 mei 2002 ongeveer vijfhonderd ton aan kipafval was opgeslagen (bewijsmiddelen 2, 12) in een inrichting waarvoor een milieuvergunning was verleend voor het inzamelen, bewaren en afvoeren van visresten (bewijsmiddel 6). Omtrent de opslag van kipafval op 26 juni 2002 houden de bewijsmiddelen niets in. Over de opslag van visafval wel, maar dat is niet redengevend voor het bewijs omdat volgens de tenlastelegging het veranderen van de inrichting of van de werking daarvan bestond in het opslaan van een hoeveelheid kipafval. Het middel is dus terecht voorgedragen.
49. Ik heb mij nog afgevraagd of in tenlastelegging en bewezenverklaring niet sprake is van een kennelijke verschrijving in die zin dat voor 26 juni 2002 26 mei 2002 moet worden gelezen. Bewijsmiddel 13 houdt immers in dat het kipafval op 26 mei 2002 nog lag in de door de A.I.D. verzegelde loods. Toch meen ik dat een kennelijke verschrijving als vorenbedoeld niet aan de orde is. Zou deze al worden aangenomen dan rijst immers onmiddellijk de vraag hoe uit de enkele omstandigheid dat het kipafval - kennelijk het op 14 mei 2002 aangetroffen kipafval - ligt in een door de A.I.D. verzegelde loods kan leiden tot het bewijs van verandering van inrichting of de werking daarvan. Het ging immers om dezelfde partij kipafval die op 14 mei 2002 was aangetroffen en die zich bovendien bevond in een door de A.I.D. verzegelde loods zodat verdachte aan het bewaren van dat kipafval geen einde kon maken.
50. Het middel slaagt.
51. De middelen 2 - 5, 7 en 8 kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
52. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
53. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten alsmede voor wat betreft de voor die feiten opgelegde straffen en de voor feit 2 opgelegde maatregel, en verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Kamerstukken II 1992-1993, 22 952, nr. 3, p. 2 e.v.
2 Zie Kamerstukken II 1992-1993, 22 952, nr. 3, p. 2 e.v. en Kamerstukken II, 1997-1998, 25931, nr. 3, p. 2 alsmede de considerans van richtlijn 90/667/EEG
3 De Regeling is vervallen per 7 september 2003 bij invoering van de Uitvoeringsregeling E.G.-verordening gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (2003) van 29 augustus 2003, Stcrt. 171.
4 Kamerstukken II 1992-1993, 22 952, nr. 3, p. 10.
5 Laag-risico-materiaal.
Uitspraak
1 februari 2005
Strafkamer
nr. 01537/04 E
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 22 december 2003, nummer 21/001594-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 20 december 2002 - de verdachte vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde en haar voorts ter zake van 1. "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5, eerste lid onder b, van de Destructiewet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd", 2 subsidiair "het medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 12, eerste lid, van de Destructiewet, begaan door een rechtspersoon", 3. "het medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon" en 4. "het medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid onder b, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" veroordeeld ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 tot een geldboete van € 7.500,--, en ten aanzien van feit 2 subsidiair tot een geldboete van vijfduizend euro. Voorts heeft het Hof ten aanzien van feit 2 subsidiair de verplichting opgelegd als bedoeld in artikel 8 onder c van de Wet op de economische delicten om het opgeslagen kipafval, op kosten van verdachte, ter destructie te vervoeren naar en aan te bieden aan het destructiebedrijf [A] B.V.
1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft dr. D.J.P.M. Vermunt, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend wat betreft de onder 2 subsidiair, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten, de voor die feiten opgelegde straffen en de voor feit 2 subsidiair opgelegde maatregel, en dat de Hoge Raad de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Gerechtshof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof met betrekking tot feit 1 ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het visafval werd "opgeslagen", aangezien dat afval werd "overgeslagen".
3.2. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte:
"op 14 mei 2002 en 26 juni 2002, in de gemeente Urk, opzettelijk, zonder vergunning van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, een bedrijf waarin laag-risico-materiaal, te weten visafval, wordt opgeslagen, heeft uitgeoefend."
3.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd - zakelijk weergegeven - dat in het normale spraakgebruik er vanuit wordt gegaan dat opslaan tot doel heeft een voorraad te vormen waarmee na een zekere tijd activiteiten worden verricht. Verder heeft de raadsman betoogd dat de wet voor opslag vereist dat het visafval gekoeld wordt bewaard (zie ter nadere adstructie de aan het hof overgelegde en aan het verkort proces-verbaal gehechte pleitnota).
Naar het oordeel van het hof valt taalkundig mede onder opslag het tijdelijk neerzetten van materiaal, zoals in casu is geschied.
Wat betreft de opmerking van de raadsman dat de wet voor opslag vereist dat het visafval gekoeld wordt bewaard, merkt het hof op dat de wet voorschrijft dat in het geval visafval wordt opgeslagen dit afval gekoeld dient te worden bewaard. In de wet staat niet dat er slechts van opslag sprake is als het visafval gekoeld wordt bewaard."
3.4. De tenlastelegging is toegesneden op art. 5, eerste lid, Destructiewet. Daarom moet de in de bewezenverklaarde tenlastelegging voorkomende term "opgeslagen" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.
3.5. Art. 5, eerste lid, Destructiewet luidt, voorzover hier van belang:
"Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister:
(...)
b. een bedrijf waarin laag-risico-materiaal wordt opgeslagen of wordt voorbewerkt, dan wel een verwerkingsbedrijf waarin laag-risico-materiaal tot ingrediënten van diervoeder of vismeel wordt verwerkt, te beginnen, uit te oefenen, uit te breiden of te wijzigen."
3.6. Het oordeel van het Hof dat de verdachte zonder vergunning een bedrijf heeft uitgeoefend waarin laag-risico-materiaal, te weten visafval, wordt "opgeslagen" in de zin van art. 5, eerste lid, Destructiewet, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk.
3.7. Het middel faalt derhalve.
4. Beoordeling van het vierde en het zesde middel
4.1. Het zesde middel strekt ten betoge dat de bewezenverklaring van de feiten 2 en 4 steunt op een verkeerde uitleg van art. 2 Destructiewet, aangezien het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het kipafval gespecificeerd hoog-risico-materiaal vormt. Het vierde middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen is omkleed, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de partij kipafval reeds op 14 mei 2002 kon worden aangemerkt als gespecificeerd hoog-risico-materiaal. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
4.2. Ten laste van de verdachte is, voorzover hier van belang, bewezenverklaard dat zij:
2. "op 14 mei 2002, in de gemeente Urk, tezamen en in vereniging met anderen, als houder van gespecificeerd hoog-risico-materiaal, te weten ongeveer 500 ton kipafval, niet aan hun verplichting hebben voldaan dit overeenkomstig de door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gestelde regels, te administreren en aan te geven bij en ter beschikking te houden van en af te staan aan de ondernemer binnen wiens werkgebied dit materiaal zich bevond, immers hebben verdachte en/of haar mededaders toen aldaar in strijd met het gestelde in artikel 2 lid 2 van de Regeling eisen eigenaar of houder van destructiemateriaal als aangifteplichtige dat kipafval niet zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op de eerste werkdag, volgend op de dag waarop dit materiaal als zodanig is ontstaan aangegeven bij [A] B.V."
en
4. "op 14 mei 2002 en 26 juni 2002, in de gemeente Urk, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op of nabij perceel [a-straat 1] gelegen inrichting voor het opslaan of overslaan van visresten, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 9.1 aanhef en onder e. van de bij de Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende bijlage I, hebben veranderd of de werking daarvan hebben veranderd, hierin bestaande dat zij, verdachte en haar mededader(s), toen aldaar een hoeveelheid kipafval hebben opgeslagen."
4.3. Het Hof heeft, voorzover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende overwogen:
"De raadsman heeft nog ten aanzien van het onder 2 en 4 tenlastegelegde en thans bewezenverklaarde betoogd dat het kipafval laag-risico-materiaal is in de zin van de Destructiewet (zie ter nadere adstructie de aan het hof overgelegde en aan het verkort proces-verbaal gehechte pleitnota).
Voor beantwoording van de vraag of in het onder-havige geval sprake is van hoog-risico-materiaal dan wel laag-risico-materiaal zijn van belang de artikelen 2 en 12 van de Destructiewet, artikel 2 (oud) van de Regeling aanwijzing gespecificeerd hoog-risico-materiaal 2000, alsmede artikel 8 (oud) van de Regeling eisen eigenaar of houder van destructiemateriaal.
Artikel 2 van de Destructiewet luidt - voor zover thans van belang -:
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder hoog-risico-materiaal dierlijk afval, voor zover het betreft:
(...)
c. dierlijk afval, dat ingevolge de vleeskeuringswet of de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren onbruikbaar moet worden gemaakt voor voedsel voor mens en dier, alsmede alle pluimvee - of delen daarvan -, dat ingevolge de Landbouwwet ongeschikt is verklaard voor menselijke consumptie;
(...)
4. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder laag-risico-materiaal tevens verstaan niet voor menselijke consumptie bestemde poten en koppen, uitsluitend afkomstig van pluimvee waarbij noch bij de keuring voor het slachten overeenkomstig hoofdstuk VI van bijlage 1 bij Richtlijn 71/118/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van de productie en het in de handel brengen van vers vlees van pluimvee (PbEG 1993, L 62), noch bij de keuring van het karkas na het slachten overeenkomstig hoofdstuk VIII van die bijlage, klinische verschijnselen van op mens of dier overdraagbare ziekten zijn vastgesteld.
(...)
6. Mengsels van hoog-risico-materiaal en laag-risico-materiaal worden voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde aangemerkt als hoog-risico-materiaal.
7. Bij regeling van Onze Minister kan als gespecificeerd hoog-risico-materiaal worden aangewezen:
a. slachtdieren, of delen daarvan;
b. dierlijk afval.
8. Mengsels van hoog-risico-materiaal en gespecificeerd hoog-risico-materiaal, dan wel van laag-risico-materiaal en gespecificeerd hoog-risico-materiaal worden aangemerkt als gespecificeerd hoog-risico-materiaal.
Artikel 2 (oud) van de Regeling aanwijzing gespecificeerd hoog-risico-materiaal 2000 luidt - voor zover van belang -:
1. Als gespecificeerd hoog-risico-materiaal als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van de Destructiewet worden aangewezen:
(...)
b. hoog-risico-materiaal als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, e, f, h en i van de wet;
Artikel 12 van de Destructiewet luidt - voor zover van belang -:
(...)
3. De eigenaar of houder van laag-risico-materiaal is verplicht zorg te dragen dat dat materiaal overeenkomstig door Onze Minister te stellen regelen wordt verpakt, geëtiketteerd en bewaard.
Artikel 8 (oud) van de Regeling eisen eigenaar of houder van destructiemateriaal luidt:
Laag-risico-materiaal wordt alvorens het materiaal naar een bedrijf of inrichting wordt vervoerd, voorzien van een etiket waarop de gegevens terzake van de herkomst, de aard en de datum waarop het is verkregen zijn vermeld, alsmede in letters van ten minste 2 cm hoog de woorden "uitsluitend voor de vervaardiging van diervoeder" of "uitsluitend voor de vervaardiging van voeder voor gezelschapsdieren" dan wel "uitsluitend voor de vervaardiging van farmaceutische of technische produkten".
Het hof oordeelt als volgt.
De aan de orde zijnde kipafval is blijkens een keuringsbeslissing van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees ongeschikt verklaard voor menselijke consumptie op grond van artikel 4.20 van de Regeling keuring en handel dierlijke producten (1994) van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de Landbouwwet. Daarmee is het, gelet op artikel 2, eerste lid onder c, van de Destructiewet, in beginsel hoog-risico-materiaal. Ingevolge artikel 2, eerste lid onder b (oud), van de Regeling aanwijzing gespecificeerd hoog-risico-materiaal 2000 dient dergelijk hoog-risico-materiaal aangemerkt te worden als gespecificeerd hoog-risico-materiaal, zoals genoemd in de telastelegging onder 2 subsidiair.
Dit zou uitzondering lijden indien zou zijn voldaan aan het bepaalde in artikel 2, vierde lid, van de Destructiewet. Deze uitzondering doet zich op grond van het navolgende niet voor.
Verdachte heeft, in strijd met artikel 12 van de Destructiewet en artikel 2 (oud) van de Regeling eisen eigenaar of houder van destructiemateriaal, de aan de orde zijnde partij kipafval zonder verpakking en etikettering bewaard in de vriescel van het bedrijf. Door het ontbreken van een deugdelijke merking en verpakking is de samenstelling van de partij niet vast te stellen. Voor toepassing van de uitzonderingsbepaling van artikel 2, vierde lid, van de Destructiewet, is daarmee geen ruimte, omdat onbekend is of de partij slechts uit poten en/of koppen bestond."
4.4. Uit het samenstel van de in 's Hofs overwegingen weergegeven wettelijke voorschriften volgt dat pluimvee of delen daarvan slechts dan gespecificeerd hoog-risico-materiaal vormt indien het ingevolge de Landbouwwet ongeschikt is verklaard voor menselijke consumptie. In aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de onderhavige partij kipafval vóór of op het in de bewezenverklaring genoemde tijdstip (14 mei 2002) ongeschikt was verklaard voor menselijke consumptie, is de bewezenverklaring van feit 2 niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het vierde middel is derhalve terecht voorgesteld.
4.5. Het zesde middel doet een beroep op het eerste lid onder d en het derde lid van art. 2 Destructiewet luidend:
"1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder hoog-risico-materiaal dierlijk afval, voor zover het betreft:
(...)
d. alle delen van een geslacht dier, die niet aan de keuring na het slachten zijn onderworpen, met uitzondering van huiden, vellen, hoeven, veren, wol, hoornen en andere soortgelijke delen;
(...)
3. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder laag-risico-materiaal dierlijk afval van de in het eerste lid bedoelde dieren en vis, dat niet ingevolge het eerste lid als hoog-risico-materiaal wordt aangemerkt, met dien verstande dat de ingevolge onderdeel d van dat lid daarvan uitgezonderde produkten slechts als laag-risico-materiaal worden aangemerkt, voor zover deze worden gebruikt bij de vervaardiging van ingrediënten van diervoeder."
ten betoge dat het onderhavige kipafval, bestaande uit koppen, poten en maag/darmpakketten en bestemd om te worden gebruikt als ingrediënten van diervoeder, laag-risico-materiaal vormt. Het middel berust op een onjuiste lezing van art. 2, derde lid, Destructiewet, aangezien de daar genoemde exceptie alleen betrekking heeft op de in het eerste lid onder d uitgezonderde producten, te weten huiden, etc. Het zesde middel faalt derhalve.
5. Beoordeling van het achtste middel
5.1. Het middel behelst de klacht dat de - hiervoor onder 4.2 weergegeven - bewezenverklaring van feit 4 onvoldoende met redenen is omkleed nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat op 26 juni 2002 ten tweede male verandering is aangebracht in de werking van de betreffende inrichting.
5.2. Het middel is gegrond, aangezien de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niets inhouden omtrent enige hernieuwde opslag van kipafval in de desbetreffende inrichting op 26 juni 2002 waardoor die inrichting of de werking daarvan is veranderd.
6. Beoordeling van het tweede, het derde en het zevende middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
7. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het vijfde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
8. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 en 4 tenlastegelegde en de oplegging van straf en maatregel;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 1 feburari 2005.

