Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR7759

Datum uitspraak2004-12-17
Datum gepubliceerd2004-12-17
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers40274
Statusgepubliceerd


Indicatie

Is het Hof buiten de rechtsstrijd getreden?


Uitspraak

Nr. 40.274 17 december 2004 EC gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 juni 2003, nr. 99/01732, betreffende na te melden beschikking inzake de omzetbelasting. 1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Belanghebbendes verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het derde kwartaal van 1997 tot een bedrag van ƒ 142.401 is door de Inspecteur bij beschikking van 10 april 1998 afgewezen, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de bestreden uitspraak alsmede de beschikking van 10 april 1998 vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij verweerschrift zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. 3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van het middel en ambtshalve 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Belanghebbende heeft op 8 september 1997 een jacht ingevoerd. Ter zake van de invoer is bij uitnodiging tot betaling van 9 september 1997 een bedrag aan omzetbelasting geheven. 3.1.2. Bij brief van 3 oktober 1997 heeft de gemachtigde van belanghebbende om teruggaaf van dit bedrag verzocht (op de voet van artikel 33 van de Wet op de omzetbelasting 1968; hierna: de Wet). Bij die brief was gevoegd een ingevuld aangiftebiljet omzetbelasting voor het derde kwartaal 1997. Bij het onderdeel 'ondertekening' van dit biljet ontbreken, onder de voorgedrukte verklaring: 'ik verklaar deze aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te hebben ingevuld' onder meer een naam en een handtekening. 3.1.3. De Inspecteur heeft het ingeleverde aangiftebiljet aangemerkt als verzoek om teruggaaf van omzetbelasting en dit verzoek bij beschikking afgewezen. 3.2. Het Hof heeft 'Vooraf en ambtshalve' geoordeeld dat, nu vaststaat dat het ingeleverde aangiftebiljet niet is voorzien van een naam en een handtekening, geen aangifte is gedaan aangezien niet is voldaan aan de eisen die artikel 8, lid 1, aanhef en letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Wet) aan het doen van aangifte stelt, en dat de Inspecteur derhalve ten onrechte op de voet van artikel 33, lid 7, van de Wet een beschikking heeft gegeven. 3.3. Het voorschrift van artikel 8, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet dat - kort gezegd - het ingevulde aangiftebiljet moet worden ondertekend, is door de wetgever als volgt toegelicht (Kamerstukken II 1994/95, 24 341, nr. 3, blz. 2): Door de ondertekening van het aangiftebiljet kan worden vastgesteld dat de desbetreffende gegevens en verklaringen daadwerkelijk afkomstig zijn van de aangifteplichtige. Voor zowel de inspecteur als de aangifteplichtige geeft dat zekerheid. Beide partijen kunnen daaraan worden gehouden. Uit deze strekking - het voorschrift dient (slechts) het belang van partijen bij zekerheid omtrent de herkomst van het bij de inspecteur ingekomen aangiftebiljet - volgt dat de rechter zich ervan dient te onthouden aan de niet-naleving van het voorschrift het gevolg te verbinden dat de aangifte geacht moet zijn niet te zijn gedaan. Immers, door jegens de belastingplichtige te beschikken op een niet-ondertekend aangiftebiljet, geeft de inspecteur mede te kennen niet in onzekerheid te verkeren dat de op en bij dat biljet verstrekte gegevens en verklaringen daadwerkelijk afkomstig zijn van de belastingplichtige; voor zoveel nodig valt uit de indiening van een bezwaarschrift door die belastingplichtige af te leiden dat deze dat bevestigt. Aldus is reeds voor de aanvang van de beroepsfase gebleken dat geen van beide partijen behoefte heeft aan de meerdere zekerheid die het ondertekeningsvoorschrift hun beoogt te bieden. 3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen, voor beoordeling van het materiële geschil. 4. Proceskosten Nu de Inspecteur de onjuist bevonden beslissing van het Hof niet heeft uitgelokt of verdedigd en de Staatssecretaris van Financiën zich in cassatie heeft gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad, stelt de Hoge Raad een eventuele veroordeling van de Staatssecretaris in de kosten van het geding in cassatie afhankelijk van de beslissing in de einduitspraak. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend. 5. Beslissing De Hoge Raad: verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 348, en reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak, en stelt deze kosten aan de zijde van belanghebbende vast op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is gewezen door raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadheren P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2004.