
Jurisprudentie
AR7850
Datum uitspraak2004-12-16
Datum gepubliceerd2004-12-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/791 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-12-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/791 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet op de grond dat niet is komen vast te staan dat betrokkene is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wet.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/791 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 22 december 2003, kenmerk JZ/R60/2003, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiseres uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 november 2004. Aldaar is eiseres niet verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiseres, geboren [in] 1924 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juni 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet alsmede enkele bijzondere voorzieningen. Eiseres heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting te weten: het meemaken van beschietingen in Batavia rondom haar woning en het meemaken van een huiszoeking.
Verweerster heeft de aanvraag van eiseres afgewezen bij besluit van 31 oktober 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is komen vast te staan dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wet.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt - voorzover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden tot 27 december 1949 in het voormalige Nederlands-Indië lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen
- tengevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of maatregelen;
- tengevolge van tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;
- tengevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.
Op grond van de beschikbare gegevens ten aanzien van het direct betrokken zijn geweest bij beschietingen in Batavia overweegt de Raad, evenals verweerster dat niet is gebleken van een directe betrokkenheid van eiseres bij bedoelde beschietingen - in beroep geeft eiseres een ander verhaal daarover dan bij haar aanvraag en in bezwaar - nu niet blijkt van een specifieke aanduiding op welke wijze zij daarbij betrokken is geweest, zoals bijvoorbeeld het al dan niet gewond zijn geraakt of een confrontatie met het omkomen of verwonden van naasten bij die beschietingen.
Ten aanzien van de huiszoeking door een Japanner die op zoek was naar alleenstaande vrouwen, is de Raad met verweerster van oordeel dat uit de door eiseres gegeven beschrijving van die gebeurtenis niet blijkt dat deze tegen eiseres persoonlijk was gericht, noch dat die gepaard is gegaan met excessief geweld zodat deze gebeurtenis niet kan worden gezien als handeling in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.
Uit het voorgaande volgt dat de door eiseres genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en evenmin tot toekenning van een artikel 19-toeslag en bijzondere voorzieningen kunnen leiden. Daarmee is zeker niet miskend dat eiseres tijdens de oorlogsjaren bijzonder angstige en zware tijden heeft meegemaakt, maar de erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is gebonden aan specifiek omschreven oorlogservaringen.
Het vorenstaande brengt met zich mee dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.

