bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR7979

Datum uitspraak2004-12-22
Datum gepubliceerd2004-12-22
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200403536/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 3 juni 2002 heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) aan de stichting "Stichting Ondersteuning Studenten-Pastoraat Amsterdam” (hierna: de Stichting) een exploitatievergunning A verleend voor de exploitatie van een alcoholverstrekkend bedrijf zonder terras op het perceel Van Eeghenstraat 90 te Amsterdam.


Uitspraak

200403536/1. Datum uitspraak: 22 december 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten], beiden wonend te Amsterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2004 in het geding tussen: appellanten en de burgemeester van Amsterdam. 1.    Procesverloop Bij besluit van 3 juni 2002 heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) aan de stichting "Stichting Ondersteuning Studenten-Pastoraat Amsterdam” (hierna: de Stichting) een exploitatievergunning A verleend voor de exploitatie van een alcoholverstrekkend bedrijf zonder terras op het perceel Van Eeghenstraat 90 te Amsterdam. Bij besluit van 31 januari 2003 heeft de burgemeester het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 maart 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 27 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 mei 2004. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 29 juni 2004 heeft de burgemeester van antwoord gediend. Bij brief van 29 juni 2004 heeft de Stichting van antwoord gediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2004, waar [een van de appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. R.D. Boesveld, advocaat te Amsterdam, de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E. Pans, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, en de Stichting, vertegenwoordigd door [voorzitter], en drs. A.H. van Osnabrugge, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Ingevolge artikel 3.2, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994 (hierna: de APV) kan de burgemeester de exploitatievergunning voor een horecabedrijf geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt/worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.    Ingevolge artikel 3.2, derde lid, van de APV houdt de burgemeester bij de toepassing van de in het vorige lid vermelde weigeringsgrond rekening met het karakter van de straat en de wijk waarin het bedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf, alsmede met de wijze van bedrijfsvoering van de houder of leidinggevende of met diens levensgedrag.    Ingevolge artikel 3.2, vierde lid, van de APV - voorzover hier van belang - wordt de exploitatievergunning niet verleend als de vestiging in strijd is met een geldend bestemmingsplan.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Vondelpark-Concertgebouw” heeft het perceel de bestemming “wonen”.    Ingevolge artikel 22, tweede lid, onder a, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften, mag het gebruik van onbebouwde gronden en van bebouwing, voorzover dit bij het rechtsgeldig worden van het bestemmingsplan afwijkt van de voorschriften van dit plan, worden voortgezet.    Ingevolge artikel 22, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften is het verboden het afwijkende gebruik te veranderen in andere vormen van gebruik, tenzij daardoor geen grotere afwijking van het bestemmingsplan ontstaat. 2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de exploitatievergunning in strijd met het bestemmingsplan is verleend. Hierbij voeren appellanten aan dat het huidige gebruik van het op het perceel gelegen pand niet onder het in de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht valt, aangezien het ter plaatse gevestigde studentenpastoraat is uitgegroeid tot een volwaardige horecaonderneming. Voorts voeren appellanten aan dat het aan de burgemeester en de Stichting is om aan te tonen dat het overgangsrecht toepasselijk is, en dat zij dit niet hebben aangetoond. 2.3.    De Afdeling stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het gebruik van het pand voor bruiloften en (afstudeer-)feesten ingevolge het bestemmingsplan niet is toegestaan.    Appellanten hebben betoogd dat het van de bestemming afwijkende gebruik van het pand is geïntensiveerd sinds het bestemmingsplan op 14 juni 1989 rechtskracht verkreeg. Hierbij is gesteld dat de door de Stichting georganiseerde activiteiten blijkens publicaties van de Stichting zijn uitgebreid en dat de geluidsoverlast is toegenomen. De burgemeester heeft hiernaar onderzoek verricht. Daarbij is gebleken dat sprake was van een ondersteunende horecafunctie ten behoeve van de door de Stichting georganiseerde en op studenten gerichte pastorale- en vormingsactiviteiten toen het bestemmingsplan rechtskracht verkreeg, en dat de onderhavige vergunning ziet op een ondersteunende horecafunctie van een zelfde aard en omvang. Dusdoende heeft de burgemeester voldaan aan de uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voortvloeiende verplichting om een toereikend onderzoek te doen naar de toepasselijkheid van het overgangsrecht. Appellanten hebben volstaan met de enkele bestrijding van het standpunt van de burgemeester. Dit is onvoldoende om van de juistheid van hun stelling, dat het gewraakte gebruik niet valt onder de beschermende werking van het overgangsrecht, uit te kunnen gaan. Gezien het vorenstaande moet op grond van hetgeen de burgemeester en de Stichting naar voren hebben gebracht worden aangenomen dat de activiteiten van de Stichting zich nog steeds beperken tot het houden van pastorale- en vormingsbijeenkomsten en dat de horecafunctie een aan deze bijeenkomsten ondersteunend karakter heeft. Mitsdien wordt met de rechtbank geoordeeld dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van voortzetting van het op de peildatum bestaande gebruik. Nu dit gebruik niet in strijd is met het bestemmingsplan, stond artikel 3.2, vierde lid, van de APV niet aan verlening van de exploitatievergunning in de weg. 2.4.    Voorts voeren appellanten aan dat de geluidsoverlast die zij ondervinden van de exploitatie van het in een woonwijk gelegen horecabedrijf er toe leidt dat de exploitatievergunning op grond van artikel 3.2, tweede en derde lid, van de APV moest worden geweigerd. 2.5.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde of de veiligheid in die mate nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf dat er grond is voor het oordeel dat de burgemeester in redelijkheid niet tot zijn beslissing van 31 januari 2003 heeft kunnen komen. Hierbij is mede van belang dat het gebruik van het horecabedrijf voor bruiloften en feesten is gestaakt, en dat uit de stukken niet is gebleken van in de omgeving van het pand veroorzaakte overlast waartegen handhavend optreden nodig was. 2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat. w.g. Van den Brink    w.g. De Leeuw-van Zanten Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2004 97-450.