Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR7981

Datum uitspraak2004-12-17
Datum gepubliceerd2004-12-22
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200409401/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 13 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave  (hierna: het college) verzoeker op straffe van een dwangsom gelast om een aantal bouwwerken van het perceel [locatie] te verwijderen en verwijderd te houden en het uitoefenen van een machinaal timmerbedrijf annex onderhouds- en klussenbedrijf in een schuur ter plaatse te beëindigen en beëindigd te houden.


Uitspraak

200409401/2. Datum uitspraak: 17 december 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: [verzoeker], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 oktober 2004 in het geding tussen: verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Grave. 1.    Procesverloop Bij besluit van 13 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave  (hierna: het college) verzoeker op straffe van een dwangsom gelast om een aantal bouwwerken van het perceel [locatie] te verwijderen en verwijderd te houden en het uitoefenen van een machinaal timmerbedrijf annex onderhouds- en klussenbedrijf in een schuur ter plaatse te beëindigen en beëindigd te houden. Bij besluit van 16 september 2003 heeft het college het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 oktober 2004, verzonden op 22 oktober 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 23 november 2004. Voorts heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 december 2004, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. H.B.J. Reijnders, advocaat te Weert, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.C.H. Schrömbges, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.        Besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit geldt temeer, indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het besluit heeft getoetst en het daartegen ingestelde beroep ongegrond heeft bevonden. 2.2.        In hetgeen verzoeker in hoger beroep naar voren heeft gebracht is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de last niet aan verzoeker mocht worden opgelegd. In hetgeen verzoeker in het verzoek om voorlopige voorziening en ter zitting heeft betoogd wordt geen aanleiding gevonden anders te oordelen. De ter zitting overlegde, van het rechtbankdossier deel uitmakende, bouwvergunning van 9 juli 1984 heeft geen betrekking op een of meer van de bouwwerken, waarop de last ziet. 2.3.        Gelet op het vorenstaande, dient het verzoek te worden afgewezen. 2.4.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb    w.g. Schortinghuis Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2004 66.