Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8051

Datum uitspraak2004-12-20
Datum gepubliceerd2004-12-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers17/020971-04 VON
Statusgepubliceerd


Indicatie

Politiewet, Koninklijke Marechaussee, opsporingsbevoegdheden


Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden Sector strafrecht VONNIS Uitspraak: 20 december 2004 Parketnummer: 17/020971-04 VONNIS van de politierechter te Leeuwarden, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres]. De politierechter heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 6 december 2004. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. TELASTELEGGING Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. VRIJSPRAAK De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat alle opsporingshandelingen, met uitzondering van de ademanalyse, zijn verricht door wachtmeesters van de Koninklijke Marechaussee (Kmar), terwijl verdachte geen militair is. De raadsman heeft betoogd dat in artikel 6 van de Politiewet een limitatieve opsomming is gegeven van de politietaken van de Kmar en dat geen van de in artikel 6 Politiewet omschreven politietaken van toepassing is op hetgeen de Kmar in de zaak van verdachte heeft gedaan. Volgens de raadsman was de Kmar in casu niet bevoegd politietaken uit te oefenen, terwijl de wachtmeesters van de Kmar deze taken wel daadwerkelijk uitgevoerd hebben. De raadsman pleit, op grond van het onbevoegd optreden door de Kmar, voor vrijspraak van verdachte voor het telastegelegde feit. De politierechter is van oordeel dat uit het samenstel van toepasselijke bepalingen kan worden vastgesteld dat de Koninklijke Marechaussee geen algemene opsporingsbevoegdheid heeft, doch slechts in de gevallen genoemd in artikel 6 van de Politiewet. Er kan derhalve niet zonder meer vanuit worden gegaan dat de Koninklijke Marechaussee bevoegd was tot het verrichten van opsporingshandelingen en zal de opsporingsbevoegdheid uitdrukkelijk dienen te blijken. Nu zulks niet uit het opgemaakte proces-verbaal kan blijken noch anderszins vastgesteld kon worden, moet het er voor worden gehouden dat de leden van de Koninklijke Marechaussee in dit geval niet bevoegd waren de door hen verrichtte opsporingshandelingen te verrichten. Daaruit volgt dat thans niet gezegd kan worden dat er een onderzoek als bedoeld in artikel 8 tweede lid aanhef en onder a van de wegenverkeerswet 1994 heeft plaatsgevonden en zal verdachte van het hem tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken. DE UITSPRAAK VAN DE POLITIERECHTER LUIDT RECHTDOENDE: Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. O. Anjewierden, politierechter, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank Leeuwarden op 20 december 2004.