Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8203

Datum uitspraak2004-12-27
Datum gepubliceerd2004-12-27
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers05/095081-00
Statusgepubliceerd


Indicatie

Niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie wegens schending van de redelijke termijn.


Uitspraak

Rechtbank Arnhem Sector strafrecht Meervoudige Kamer Parketnummer : 05/095081-00 Datum zitting : 20 maart 2003, 14 oktober 2004 en 9 december 2004 Datum uitspraak : 23 december 2004 VERKORT VONNIS TEGENSPRAAK In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem tegen naam : [verdachte], geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats], adres : [adres], plaats : [woonplaats]. Raadsman: mr. H. Grootjans, advocaat te Doetinchem. 1. De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998 te Duiven en/of Arnhem en/of Veenendaal en/of Dinxperlo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens opzettelijk voorhanden heeft gehad accijnsgoederen, te weten een groot aantal flessen wijn, welke niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing van accijns terzake van de uitslag en/of het voorhanden hebben van die goederen waren betrokken; (1/OPV/02, 1/AH/29) 2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 te Duiven en/of Arnhem en/of Veenendaal en/of Dinxperlo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens opzettelijk voorhanden heeft gehad accijnsgoederen, te weten een groot aantal flessen wijn, welke niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing van accijns terzake van de uitslag en/of het voorhanden hebben van die goederen waren betrokken; (1/OPV/02) 2. Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op 20 maart 2003, 14 oktober 2004 en 9 december 2004 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is op 9 december 2004 verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. H. Grootjans, advocaat te Doetinchem. De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaar-delijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd in verzeke-ring en voorlopige hechtenis doorge-bracht. Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. 2a. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De raadsman heeft er in de eerste plaats op gewezen dat verdachte het recht op behandeling van de zaak ter terechtzitting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is onthouden, nu sedert zijn aanhouding op 9 mei 2000 vier jaren en zeven maanden zijn verstreken, zodat het Openbaar Ministerie in haar vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde redelijke termijn in ernstige mate is overschreden. Anders dan de zaak tegen de medeverdachte C. [naam] is de zaak tegen verdachte, gelet op hetgeen hem is ten laste gelegd, bepaald niet ingewikkeld te noemen. Het overzichtsproces-verbaal – dat volgens de niet weersproken mededeling van de raadsman van verdachte reeds op 30 augustus 2000 gereed was – behelst te zijnen aanzien slechts twaalf pagina’s. In zijn zaak is ook geen gerechtelijk vooronderzoek bevolen, terwijl verdachte kennelijk wel op de afloop van het gerechtelijk vooronderzoek in de veel omvangrijkere zaak tegen zijn mede-verdachte C. [naam] (opening op 28 april 2000, sluiting op 9 juli 2002) heeft moeten wachten. Waarom dat het geval is geweest is niet duidelijk geworden. Wel heeft de raadsman van verdachte reeds op 11 mei 2001 gevraagd wanneer de zaak ter zitting zou worden behandeld, waarop hem op 15 juli 2001 vanwege het Openbaar Ministerie is medegedeeld dat de zaak geappointeerd stond. Deze mededeling is op 14 augustus 2001 overigens gevolgd, aldus – en niet weersproken – de raadsman, door de dat weer wat afzwakkende mededeling van de officier van justitie dat de zaak zich in een afrondende fase zou bevinden. Tegen de tijd dat de zaak dan voor het eerst staat geappointeerd (20 maart 2003) ontpopt zich in de zaak tegen C. [naam] het verzoek van de verdediging tot het horen van meerdere getuigen, ook in het buitenland, waarop de beide zaken worden aangehouden. Hoewel uit de daaropvolgende brief van de raadsman van verdachte van 21 mei 2003 volgt dat verdachte daar mee accoord is gegaan, volgt uit die brief ook dat verdachte dat na enige twijfel (wegens “geestelijke problemen ten aanzien van de hele affaire”) heeft gedaan en blijkt uit die brief wederom van de ongerustheid van de raadsman over de voortgang van de zaak, waarbij hij zich enigszins lijkt te distantiëren van de noodzaak tot het horen van de getuigen ten behoeve van de zaak van verdachte. Deze wat ambivalente houding heeft de rechtbank – in een andere samenstelling – kennelijk op 20 maart 2003 mede doen besluiten om ook de zaak tegen verdachte te verwijzen naar de rechter-commissaris “voor het geval dat er ook in deze zaak nog onderzoek blijkt te moeten worden verricht”. In ieder geval geeft de raadsman van verdachte bij brief van 8 juli 2004 aan de rechter-commissaris met nadruk aan dat die behoefte er wat hem betreft niet is geweest en dat hij indertijd alleen heeft aangegeven dat verdachte in zoverre wel tegemoet wilde komen aan de onderzoekswensen van de raadsman van C. [naam], mede gelet op de omstandigheid dat de officier van justitie beide zaken kennelijk gelijktijdig op de zitting behandeld wenste te zien. Gegeven deze voorgeschiedenis, waaruit volgt dat de zaak tegen verdachte naar het thans bestaande oordeel van de rechtbank ten onrechte zo lang aan de zaak tegen C. [naam] gekoppeld is geweest, terwijl de raadsman van verdachte steeds heeft geprobeerd te bereiken dat de voortgang van de zaak van verdachte met voortvarendheid zou worden aangepakt, is de rechtbank van oordeel dat dit “undue delay” niet voor risico van verdachte mag komen en gelet op de ernst ervan ook onvoldoende in een eventuele strafvermindering tot uiting kan komen, zodat het Openbaar Ministerie niet in haar vervolging tegen verdachte kan worden ontvangen. 3. De beslissing De rechtbank, rechtdoende: Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk. Aldus gewezen door: mr. R.J.J. van Acht, rechter, als voorzitter, mr. M. Jurgens, rechter, mr. G. Perrick, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december 2004.