Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8296

Datum uitspraak2005-02-15
Datum gepubliceerd2005-02-16
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01562/04
Statusgepubliceerd


Indicatie

Profijtontneming en draagkrachtverweer. De rechter die de ontnemingsmaatregel oplegt moet, gelet op het ex art. 511e.1 Sv toepasselijke art. 359.5 en 359.9 (oud) Sv, op straffe van nietigheid op een uitdrukkelijk voorgedragen en met argumenten ondersteund draagkrachtverweer een gemotiveerde beslissing geven. Het verzuim daarvan leidt i.c. tot vernietiging van de bestreden uitspraak (HR LJN AR2418).


Conclusie anoniem

Nr. 01562/04 Mr. Fokkens Zitting: 21 december 2004 Conclusie inzake: [verzoeker=betrokkene] 1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft veroordeelde, als maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting opgelegd aan de Staat € 203.751, 81 te betalen, subsidiair 995 dagen hechtenis 2. Namens veroordeelde heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, twee middelen van cassatie voorgesteld. 3. In het eerste middel wordt geklaagd over de beslissing tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 4. De klacht komt erop neer dat het Hof ten onrechte het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat op basis van onverklaarbare inkomsten en uitgaven in de boekhouding van het garagebedrijf waarvan de echtgenote van verzoeker eigenaar was. Die schatting zou onverantwoord zijn, omdat verzoeker een plausibele verklaring heeft gegeven voor de onverklaarbare inkomsten en uitgaven in die administratie, die er kort samengevat op neerkomt dat het een administratieve chaos was. 5. Het middel is ongegrond. Het Hof heeft in de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat verzoeker aan zijn boekhouder heeft gevraagd hoe hij de inkomsten uit de hennepteelt wit kon wassen en dat zijn boekhouder hem daarop op de hoogte heeft gebracht van een methode om dit via de boekhouding van zijn garagebedrijf te doen. Verzoeker heeft dat ter terechtzitting ontkend, zoals hij ook heeft tegengesproken dat bepaalde uitgaven zijn gedaan met in de hennepteelt verdiend geld, hoewel hij over dit alles tegenover de politie anders had verklaard. Nu het Hof tot de slotsom is gekomen dat verdachtes verklaringen tegenover de politie op deze punten geloofwaardig zijn, kon het Hof oordelen dat aannemelijk is dat de onverklaarbare uitgaven en inkomsten in de boekhouding van het garagebedrijf, betrekking hebben op inkomsten uit de hennepteelt en dat de verklaring van verzoeker over deze posten ongeloofwaardig is. 6. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte geen gehoor heeft gegeven aan het namens verzoeker gevoerde draagkrachtverweer. 7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat de raadsman van veroordeelde het Hof uitdrukkelijk heeft verzocht om rekening te houden met de draagkracht van verzoeker en hiertoe heeft aangevoerd dat het Centraal Justitieel Incassobureau geen regelingen treft als het om aanzienlijke bedragen gaat en verzoeker gezien zijn financiële situatie voor een betalingsregeling niet in aanmerking komt. 8. Verzoeker zelf heeft ter terechtzitting omtrent zijn financiële situatie aangevoerd: "Op het moment leef ik en mijn gezin van de inkomsten van mijn vrouw. Mijn vrouw en ik hebben twee kinderen in de leeftijd van tien en twaalf jaar. We leven van ruim ƒ 1000 per maand. Ik heb twee jaar geleden een internetzuil opgezet, maar dat wil nog niet echt lukken. Ik heb een schuld bij de bank. De schuld bedraagt een bedrag van ƒ 30.000. Mijn vrouw heeft ook nog een schuld bij de belasting. Er staat nog een bedrag van ƒ 150.000 open. We hebben met betrekking tot de belastingschuld een afbetalingsregeling getroffen. Al met al is mijn schuldenlast dus erg hoog. Ik heb ook nog een derde schuld, namelijk bij de bank. Het bedraagt een schuld van ƒ 100.000. Ook zijn er nog enkele andere kleine posten die betaald moeten worden. De boot die wij hadden is inmiddels verkocht en de schuld aan de Frigem is betaald. Ook het pand aan de [a-straat] is verkocht. Er ligt conservatoir beslag op het pand." 9. Het Hof heeft bij de vaststelling van de betalingsverplichting overwogen: "Voor zover de raadsman heeft willen aanvoeren dat veroordeelde niet zal kunnen voldoen aan een eventuele verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat, verwerpt het hof dit verweer nu noch uit de stukken, noch uit hetgeen door en namens veroordeelde ter ;s hofs terechtzitting naar voren is gebracht valt af te leiden, dat veroordeelde in het geheel geen dan wel onvoldoende draagkracht heeft en dat hij daarover naar redelijke verwachtingen in de toekomst evenmin zal beschikken." 10. Dat oordeel is erg summier gemotiveerd. Het is echter niet onbegrijpelijk in het licht van de omstandigheid dat het Hof het door verzoeker met de hennepteelt verdiende vermogen op ruim tweehonderdduizend Euro heeft geschat, hoewel verzoeker beweerde dat hij er niets mee heeft verdiend en dat onder meer conservatoir beslag is gelegd tot een waarde van 400.000,- gulden. Aan de in HR 16 april 1996, NJ 1998, 168 voortvloeiende verplichting op een uitdrukkelijk gevoerd draagkrachtverweer gemotiveerd te beslissen is hiermee voldaan. 11. Het middel faalt. 12. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. 13. Ambtshalve wil ik nog het volgende opmerken. Ingevolge de art. V en VI van de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (Stb. 2003, 202) is op de onderhavige zaak art. 577c Sv van toepassing. Dit brengt mee dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd, vgl. HR 7 oktober 2003, LJN AF9473 en HR 14 oktober 2003, LJN AF8048 en LJN AG2651. 14. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, doch uitsluitend voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv.


Uitspraak

15 februari 2005 Strafkamer nr. 01562/04 P AGJ/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 16 juni 2003, nummer 24/000105-01, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van: [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Leeuwarden van 18 januari 2001 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 203.751,81, subsidiair 995 dagen hechtenis. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, maar uitsluitend voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd en dat het beroep voor het overige wordt verworpen. 3. Beoordeling van het eerste middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beoordeling van het tweede middel 4.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd gemotiveerd te beslissen op een op de terechtzitting gevoerd draagkrachtverweer. 4.2. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 april 2003 volgt dat de raadsman het Hof uitdrukkelijk heeft verzocht om rekening te houden met de draagkracht van de betrokkene. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het Centraal Justitieel Incassobureau geen regelingen treft als het om aanzienlijke bedragen gaat en dat de betrokkene gezien zijn financiële situatie voor een betalingsregeling niet in aanmerking komt. 4.3. De betrokkene zelf heeft ter terechtzitting omtrent zijn financiële situatie aangevoerd: "Op het moment leef ik en mijn gezin van de inkomsten van mijn vrouw. Mijn vrouw en ik hebben twee kinderen in de leeftijd van tien en twaalf jaar. We leven van ruim ƒ 1000 per maand. Ik heb twee jaar geleden een internetzuil opgezet, maar dat wil nog niet echt lukken. Ik heb een schuld bij de bank. De schuld bedraagt een bedrag van ƒ 30.000. Mijn vrouw heeft ook nog een schuld bij de belasting. Er staat nog een bedrag van ƒ 150.000 open. We hebben met betrekking tot de belastingschuld een afbetalingsregeling getroffen. Al met al is mijn schuldenlast dus erg hoog. Ik heb ook nog een derde schuld, namelijk bij de bank. Het bedraagt een schuld van ƒ 100.000. Ook zijn er nog enkele andere kleine posten die betaald moeten worden. De boot die wij hadden is inmiddels verkocht en de schuld aan de Frigem is betaald. Ook het pand aan de [a-straat] is verkocht. Er ligt conservatoir beslag op het pand." 4.4. Het Hof heeft bij de vaststelling van de betalingsverplichting overwogen: "8.1. Voor zover de raadsman heeft willen aanvoeren dat veroordeelde niet zal kunnen voldoen aan een eventuele verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat, verwerpt het hof dit verweer nu noch uit de stukken, noch uit hetgeen door en namens veroordeelde ter 's hofs terechtzitting naar voren is gebracht valt af te leiden, dat veroordeelde in het geheel geen dan wel onvoldoende draagkracht heeft en dat hij daarover naar redelijke verwachtingen in de toekomst evenmin zal beschikken." 4.5. Van de rechter die de ontnemingsmaatregel oplegt, moet, gelet op het hier toepasselijke art. 359 (oud), vijfde en negende lid, Sv - welke bepalingen ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv van overeenkomstige toepassing zijn - op straffe van nietigheid, worden verlangd dat hij op een ter zake van de draagkracht uitdrukkelijk voorgedragen en met argumenten ondersteund verweer een gemotiveerde beslissing geeft. Gelet daarop had het Hof, dat omtrent eventuele vermogensbestanddelen en daarop gelegd conservatoir beslag niets heeft vastgesteld, de verwerping van het hiervoren onder 4.2 en 4.3 weergegeven verweer nader dienen te motiveren (vgl. HR 18 januari 2005, LJN AR2418). 4.6. Het middel is derhalve terecht voorgesteld. 5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak Ingevolge de art. V en VI van de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (Stb. 2003, 202) is op de onderhavige zaak art. 577c Sv van toepassing. De Hoge Raad zal daarom de bestreden uitspraak vernietigen voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd (vgl. HR 7 oktober 2003, NJ 2004, 573). 6. Slotsom Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist. 7. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de opgelegde betalingsverplichting en de vervangende hechtenis; Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak voor wat betreft de oplegging van de betalingsverplichting op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan; Verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 15 februari 2005.