
Jurisprudentie
AR8310
Datum uitspraak2004-12-24
Datum gepubliceerd2004-12-29
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersBK 252/04 Motorrijtuigenbelasting
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-12-29
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersBK 252/04 Motorrijtuigenbelasting
Statusgepubliceerd
Indicatie
In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Uitspraak
BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
BK-04/00252 24 december 2004
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van
X wonende te Z (: de belanghebbende)
tegen de uitspraak van
de inspecteur Belastingdienst/Centrale administratie autoheffingen te Apeldoorn (: de inspecteur)
gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en de boetebeschikking.
1. De procesgang
1.1. Aan de belanghebbende is op 26 januari 2004 een
naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (: Mrb) opgelegd op grond van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Gelijktijdig met deze naheffingsaanslag is een boetebeschikking opgelegd.
1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de
inspecteur bij bestreden uitspraak de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.
1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij een op 23 maart
2004 bij het hof binnengekomen beroepschrift (met bijlagen) beroep ingesteld.
1.4. Van de inspecteur is op 16 april 2004 een verweerschrift met
bijlagen binnengekomen.
1.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting
van 6 december 2004 te Leeuwarden, alwaar zijn verschenen de belanghebbende, bijgestaan door zijn vader, en de inspecteur.
1.6. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. Het geschil en de standpunten van partijen.
2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
2.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij doet een beroep op de redelijkheid en billijkheid.
2.3. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de beroepen uitspraak.
2.4. Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken en hetgeen door partijen ter zitting is aangevoerd.
3. De feiten.
Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen het volgende vast.
3.1. Op 24 november 2003 te 15.45 uur hebben ambtenaren van de Belastingdienst, Controle Unit Zwolle, geconstateerd dat het motorrijtuig Ford Sierra, kleur blauw, kenteken YY-00-YY, gebruik heeft gemaakt van de openbare weg Stokerij te Gorredijk, terwijl voor dat motorrijtuig een schorsing gold als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.
3.2. De belanghebbende is vanaf 13 juni 2000 als houder van het motorrijtuig kenteken YY-00-YY ingeschreven in het kentekenregister.
3.3. Op grond van het voorgaande heeft de inspecteur aan de belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd over de periode 28 mei 2003 tot en met 10 januari 2004.
De nageheven belasting bedraagt € 317,--
De boete bedraagt € 317,--
De naheffingsaanslag bedraagt in totaal € 634,--
3.4. Aan belanghebbende is na registratie van de schorsing een formulier toegezonden voor opgaaf stallingplaats, waarin staat vermeld dat een geschorst motorrijtuig zich niet op de weg mag bevinden.
4. De overwegingen omtrent het geschil.
4.1. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, kan belasting worden nageheven bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in Hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.
4.2. Nu op grond van de vaststaande feiten kan worden aangenomen dat belanghebbende met zijn motorrijtuig YY-00-YY de weg Stokerij te Gorredijk heeft gebruikt terwijl dat motorrijtuig was geschorst is aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag opgelegd. De omstandigheid dat het motorrijtuig in verband met bestratingwerkzaamheden slechts korte tijd op een tot de weg behorende parkeerplaats heeft gestaan, kan de belanghebbende niet baten nu de wetgever ook een dergelijk gebruik als ‘gebruik van de weg met een motorrijtuig’ heeft willen beschouwen.
4.3. Nu er tevens sprake is van een betalingsverzuim als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is een boete van 100% geïndiceerd.
Gelet op de ernst van het gepleegde feit acht het hof de opgelegde boete passend en geboden.
Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat belanghebbende het motorrijtuig op de openbare weg heeft geparkeerd ondanks een aan hem bij de opgaaf stallingsplaats gedane mededeling dat een zodanige handelwijze niet geoorloofd was. Aldus heeft de belanghebbende bewust het risico gelopen dat hem een naheffingsaanslag zou kunnen worden opgelegd.
5. De proceskosten.
Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
6. De beslissing.
Het hof:
verklaart het beroep ongegrond.
Vastgesteld op 24 december 2004 door mr Van der Meer, raadsheer als voorzitter, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer en op die dag ter openbare zitting van het hof te Leeuwarden uitgesproken door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier.
De griffier, De voorzitter,
M. Haarsma mr G.M. van der Meer
Op 29 december 2004 afschrift
aangetekend verzonden aan beide partijen.

