
Jurisprudentie
AR8313
Datum uitspraak2004-12-24
Datum gepubliceerd2004-12-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13/097259-04
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-12-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13/097259-04
Statusgepubliceerd
Indicatie
Overlevingswet, Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Duitsland, art. 2 en 7 van de OLW.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM,
NEGENDE MEERVOUDIGE KAMER D
Parketnummer: 13/097259-04
RK nummer: 04/4417
Datum uitspraak: 24 december 2004
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 november 2004 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd door de Oberstaatsanwältin, Dr. Holznagel, Staatsanwaltschaft Dortmund, Duitsland.
Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1970,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting “Midden Holland”, Huis van Bewaring De Geniepoort, te Alphen aan de Rijn.
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 december 2004. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. P. Saris, advocaat te Eindhoven, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Servokroatische taal.
2. Grondslag en inhoud van het EAB
Aan het EAB ligt een ‘Haftbefehl’, afgegeven door het Amtsgericht Dortmund en gedateerd
4 oktober 2004, ten grondslag.
Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan een naar het recht van Duitsland strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.
In het Haftbefehl van 4 oktober 2004 staat dat de overlevering van de opgeëiste persoon tevens nadrukkelijk wordt verzocht voor het volgende feit: “ohne Erlaubnis nach § 2 Abs.2 WaffG. i.V.m. Anlage 2 Abschnitt 2 Unterabschnitt 1 Satz 1 eine halbautomatische Kurzwaffe geführt zu haben”. De Staatsanwaltschaft heeft op 17 december 2004 een aanvullende brief gefaxt naar het parket waarin wordt bevestigd dat de overlevering ook voor bedoeld feit wordt verzocht. De rechtbank gaat er dus van uit dat het EAB, na aanvulling, op twee feiten betrekking heeft.
3. Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn werkelijke naam [opgeëiste persoon] is en dat hij geboren is op [geboortedatum] 1974; de overige bovenvermelde personalia zijn juist. Hij beschikt niet over de Nederlandse, maar over de Servisch-Montenegrijnse nationaliteit. De opgeëiste persoon heeft bevestigd dat hij degene is op wie het EAB en het Haftbefehl betrekking hebben.
4. Strafbaarheid
4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de Overleveringswet
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het in het EAB genoemde feit aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.
Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat is zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer 21 op bijlage 1 bij de Overleveringswet, te weten:
Racketeering en afpersing.
Op dit feit is bovendien naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste drie jaren gesteld.
4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Het feit waarmee het EAB, zoals hiervoor is overwogen, is aangevuld komt niet voor op bedoelde bijlage 1 bij de OLW. De rechtbank dient dan ook na te gaan of dit feit zowel naar het recht van Duitsland als naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert.
Op het feit is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
5. Onschuldverweer
De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.
Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan dit feit, is niet gebleken.
6. Slotsom
Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
Artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie,
artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon], alias [opgeëiste persoon] aan de Staatsanwaltschaft Dortmund, ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit-ter,
mrs. F. Salomon en S.K. de Groot, rech-ters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif-fier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 24 december 2004.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Overleveringswet staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

