Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8334

Datum uitspraak2004-12-21
Datum gepubliceerd2004-12-29
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200408044/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 19 december 2002 heeft de gemeenteraad van Ede het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied, herziening ex artikel 30 WRO" vastgesteld.


Uitspraak

200408044/2. Datum uitspraak: 21 december 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: [verzoekers], gevestigd te [plaats], verzoekers, en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 19 december 2002 heeft de gemeenteraad van Ede het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied, herziening ex artikel 30 WRO" vastgesteld. Bij besluit van 14 september 2004, nr. RE2003.122295 heeft verweerder opnieuw beslist over de goedkeuring van dit plan. Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers bij brief van 15 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2004, beroep ingesteld. Bij brief van 15 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 december 2004, waar verzoekers, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraad van Ede, vertegenwoordigd door W. IJzerman en S. Kruszynski, ambtenaren van de gemeente, en [partij], in persoon en bijgestaan door J.W. van der Linde, advocaat te Ede. 2.    Overwegingen 2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2.    Het plan voorziet onder meer in de bestemming "Agrarisch veenontginningslandschap Ederveen" met de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" voor het perceel [locatie] te [plaats]. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit plandeel goedgekeurd. 2.3.    Verzoekers hebben de noodzaak tot toekenning van deze bestemming aan het perceel [locatie] te [plaats] betwist. Zij hebben onder meer aangevoerd dat ter plaatse geen agrarische activiteiten worden ontplooid. 2.4.    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Voorzitter van oordeel dat in de bodemprocedure nader onderzoek dient plaats te vinden naar de feitelijke situatie ter plaatse, de voor de diverse opstallen verleende bouwvergunningen of gedoogverklaringen alsmede de gebruiksgeschiedenis van het agrarisch bedrijf op het betrokken perceel. 2.5.    Op grond van het voorgaande ziet de Voorzitter thans aanleiding om het bestreden besluit voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de "Agrarisch veenontginningslandschap Ederveen" met de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" ter plaatse van het perceel [locatie] te [plaats] te schorsen teneinde onomkeerbare gevolgen in de periode hangende de bodemprocedure te voorkomen. 2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat deze zijn gemaakt in het kader van de goedkeuringsprocedure en niet voor de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 14 september 2004, nr. RE2003.122295, voorzover het de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch veenontginningslandschap Ederveen" met de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" ter plaatse van het perceel [locatie] te [plaats] betreft; II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 70,31; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan verzoekers; III.    gelast dat de provincie Gelderland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Bultema, ambtenaar van Staat. w.g. Bartel    w.g. Bultema Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2004 400.