Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8462

Datum uitspraak2004-12-29
Datum gepubliceerd2004-12-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/060338-04
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ernstige geweldpleging tijdens de nachtelijke uren op 30 juli 2004 in het uitgaanscentrum van Apeldoorn leidt tot aanzienlijke straffen voor de drie betrokken daders.


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Meervoudige kamer voor strafzaken Parketnummer: 06/060338-04 Uitspraak d.d.: 29 december 2004 tegenspraak / dip - oip VERKORT VONNIS in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [adres], thans gedetineerd in het huis van bewaring te Zutphen. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 december 2004. Ter terechtzitting gegeven beslissingen Ter terechtzitting heeft de rechtbank voorshands afwijzend beslist op door de raadsman van verdachte gedaan verzoek om aanhouding van de zaak ter fine van een onderzoek door het NFI naar DNA-sporen op onder de verdachten inbeslaggenomen schoenen. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 30 juli 2004 in de gemeente Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht en/of terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag) heeft geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt op/tegen/in het hoofd/het gezicht en/of (elders) op/tegen het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; art 287 Wetboek van Strafrecht art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat hij op of omstreeks 30 juli 2004 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon, (te weten [slachtoffer]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een hersenbloeding en/of hersenletsel), heeft toegebracht, door deze [slachtoffer] opzettelijk meermalen,althans eenmaal, (met kracht en/of terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag) te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen op/tegen/in het hoofd/het gezicht en/of (elders) op/tegen het lichaam; art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat hij op of omstreeks 30 juli 2004 in de gemeente Apeldoorn met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Nieuwstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, (met kracht en/of terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag) schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen op/tegen/in het hoofd/het gezicht en/of (elders) op/tegen het lichaam; art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht. Taal- en/of schrijffouten Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het (mede) plegen van het primair ten laste gelegde. Daartoe wordt overwogen dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat verdachte zich met zijn twee medeverdachten jegens het slachtoffer heeft schuldig gemaakt aan een reeks van geweldshandelingen die is besloten met de door getuigen vermelde zeer harde en gerichte schop tegen het hoofd, tengevolge waarvan het slachtoffer in een plas bloed bewusteloos is blijven liggen. Naar het oordeel van de rechtbank kan slechts van deze laatste geweldshandeling worden vastgesteld, dat deze moet zijn verricht met tenminste voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Aangezien onduidelijk is gebleven wie van de verdachten bedoelde schop aan het slachtoffer heeft toegediend en voor collectieve toerekening op dit punt geen aanleiding bestaat, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat: hij op 30 juli 2004 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen aan een persoon, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een hersenbloeding en/of hersenletsel) heeft toegebracht, door deze [slachtoffer] opzettelijk meermalen met kracht en/of terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag te schoppen of te trappen en te slaan en/of te stompen op/tegen/in het hoofd/het gezicht en elders op/tegen het lichaam. Bewijsoverweging Naar het oordeel van de rechtbank laten de bewijsmiddelen, in samenhang bezien met de ter terechtzitting vertoonde video-opnames, redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat verdachte zich ten minste willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer (mede) door zijn toedoen zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Aan dit oordeel staat niet in de weg dat het bewezenverklaarde letsel hoogstwaarschijnlijk is veroorzaakt door de hiervoor besproken laatste geweldshandeling, nu niet is gebleken of aannemelijk is geworden, dat verdachte zijn deelneming aan het geweld reeds voordien onvoorwaardelijk had gestaakt. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezene levert op het misdrijf: medeplegen van zware mishandeling. Oplegging van straf en/of maatregel De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft in het nachtelijk uur op 30 juli 2004 in het uitgaanscentrum te Apeldoorn samen met zijn mededaders - onder invloed van alcohol en/of cocaïne - buitensporig geweld toegepast jegens [slachtoffer]. Zij hebben zich gedrieën gekeerd tegen genoemde [slachtoffer], hoewel deze uitsluitend met de medeverdachte [naam 1] in conflict was geraakt. [slachtoffer] heeft daaraan ernstig letsel overgehouden, zodanig dat het op dit moment nog onduidelijk is of hij ooit volledig zal herstellen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf betrokken dat [slachtoffer] had kunnen voorzien dat hij door het geven van een kopstoot aan de medeverdachte [naam 1] waarschijnlijk tegengeweld zou uitlokken. [slachtoffer] had - mede gelet op de plaats en het tijdstip van het gebeuren en zijn hoedanigheid van politieman - beter moeten weten. Van feiten als deze is bekend dat zij een enorme impact hebben op de gemeenschap en bijdragen aan de binnen de samenleving levende onveiligheidsgevoelens. De rechtbank heeft verder laten meewegen dat verdachte ten aanzien van geweldsdelicten reeds eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat hij in de onderhavige zaak geen blijk heeft gegeven verantwoordelijkheid voor zijn aandeel te willen nemen. Beroep op strafvermindering Door verdachtes raadsman is subsidiair een beroep gedaan op strafvermindering in verband met beweerde nalatigheid van de officier van justitie terzake van het door het NFI te verrichten onderzoek aan inbeslaggenomen sportschoenen. De rechtbank ziet voor honorering van dit beroep geen aanleiding, alleen reeds omdat zij zodanig onderzoek, gelet op de bewezenverklaring, niet relevant acht. Inbeslaggenomen voorwerpen Onder verdachte zijn een aantal voorwerpen in beslag genomen. Daarvan zal de teruggave worden gelast aan verdachte, aangezien er geen strafvorderlijk belang meer aanwezig is dat zich daartegen verzet. Verzoek opheffing voorlopige hechtenis en onmiddellijke invrijheidstelling Gelet op het hiervoor overwogene bestaat geen aanleiding tot opheffing van het bevel voorlopige hechtenis, zoals namens verdachte ter terechtzitting subsidiair is verzocht. Toepasselijke wettelijke voorschriften Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING De rechtbank beslist als volgt. Verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden. Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht. Gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten: -een paar schoenen, merk Nike, type Air Max, meerkleurig; -een blauwe spijkerbroek, merk Diesel, type Industry; -een wit t-shirt, merk G-Star; -een witte trui, merk Conwell. Aldus gewezen door mrs. Van Harreveld, voorzitter, Maanicus en Boks, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 december 2004.