Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8468

Datum uitspraak2004-12-28
Datum gepubliceerd2004-12-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Assen
Zaaknummers03/1150
Statusgepubliceerd


Indicatie

Sanctie in de vorm van een loondoorbetalingsverplichting. Houdbaarheid minimumsanctie van vier maanden.


Uitspraak

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Kenmerk: 03/1150 WAO U I T S P R A A K In het geding tussen [eiseres], wonende te Emmen, eiseres, en De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (vestiging Assen) verweerder. I. Procesverloop Bij besluit van 24 november 2003 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 10 juli 2003 ongegrond verklaard. Het besluit dat gericht is aan de werkneemster heeft verweerder met een gewijzigde motivering gehandhaafd. Het besluit gericht aan eiseres heeft verweerder herroepen voor zover het de einddatum van de opgelegde loondoorbetalingverplichting betreft. Namens eiseres is bij brief van 30 december 2003 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 15 januari 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Bij brief van 11 maart 2004 is een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van eiseres heeft hiervan afschriften ontvangen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 18 november 2004[jw.sys.1.datum_zit], alwaar eiseres niet is verschenen. Voor verweerder is verschenen mr. T.Snippe. II. Motivering Feiten en omstandigheden Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden. Op 19 april 2002 heeft mevrouw [werkneemster], werkneemster van eiseres (hierna: werkneemster), zich ziekgemeld. Bij brief van 5 december 2002 heeft verweerder werkneemster geïnformeerd over haar mogelijke recht op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In deze brief is de werkneemster er door verweerder op gewezen dat de aanvraag om uitkering tijdig is ingediend indien zij het aanvraagformulier binnen 9 maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid opstuurt of het aanvraagformulier binnen 4 weken na ontvangst van deze brief opstuurt. Werkneemster is erop gewezen dat zij een reïntegratieverslag dient mee te sturen, bestaande uit de probleemanalyse, de medische gegevens van de arbodienst, een plan van aanpak en een eigen evaluatie van de werkneemster. Bij brief van 5 december 2002 is eiseres er door verweerder op gewezen dat zij verantwoordelijk is voor het plan van aanpak met de eventuele bijstellingen en de gezamenlijke evaluatie dat de werkneemster met haar WAO-aanvraag moet indienen. Voor de arbodienst gaat het om de probleemanalyse met eventuele bijstellingen, een actueel oordeel en de medische informatie. Op 8 april 2003, door verweerder ontvangen op 25 april 2003, heeft de werkneemster de WAO-aanvraag ingediend. Bij brief van 28 april 2003 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de werkneemster geen compleet reïntegratieverslag ter beschikking heeft gesteld omdat eiseres de benodigde probleemanalyse, het plan van aanpak en de evaluatie bij het plan van aanpak niet zou hebben overhandigd. Hierbij heeft verweerder eiseres er op gewezen dat zij verplicht is de gevraagde informatie te geven en dat verweerder, als eiseres niet binnen twee weken reageert, de loondoorbetalingverplichting zal verlengen met maximaal 52 weken. Op 7 mei 2003 (stukken zijn niet eenduidig) heeft eiseres aan verweerder een actueel oordeel van de arbodienst d.d. 20 februari 2002 en een plan van aanpak, door verweerder ondertekend op 8 april 2003, toegestuurd. Zoals blijkt uit de rapportage van de arbeidsdeskundige A. Velema d.d. 4 juli 2003, heeft deze naar aanleiding van dossierstudie, overleg met de verzekeringsarts en een gesprek met de werkgever en de werkneemster, geconcludeerd dat alle betrokken partijen zich onvoldoende voor de reïntegratie van de werkneemster hebben ingespannen, terwijl niet gebleken is dat dit aan de zijde van eiseres verschoonbaar is. De arbeidsdeskundige acht dan ook een sanctie van 9 maanden gerechtvaardigd. Bij (primair) besluit van 10 juli 2003 heeft verweerder de werkneemster medegedeeld dat de loondoorbetalingverplichting van eiseres met vier maanden is verlengd tot en met 17 augustus 2003, reden waarom de WAO-aanvraag van de werkneemster is afgewezen. Bij (primair) besluit van eveneens 10 juli 2003 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de loondoorbetalingverplichting is verlengd en deze de periode van 18 april 2003 tot en met 17 augustus 2003 omvat. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de werkneemster een WAO-aanvraag heeft ingediend zonder een compleet reïntegratieverslag, terwijl eiseres, daartoe door verweerder in de gelegenheid gesteld, het verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld. Bij brief van 17 juli 2003 is namens eiseres bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Eiseres noch zijn gemachtigde heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om over het bezwaar te worden gehoord. Bij besluit van 12 november 2003 heeft verweerder aan de werkneemster een uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg (Wazo) toegekend over de periode van 26 april 2003 tot en met 16 augustus 2003. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, gericht aan de werkneemster gehandhaafd, onder verbetering van de motivering. Verweerder heeft overwogen dat de WAO-aanvraag van de werkneemster is afgewezen omdat aan eiseres een loondoorbetalingverplichting is opgelegd in verband met het niet verstrekken van een compleet reïntegratieverslag. Voorts heeft verweerder het primaire besluit, gericht aan eiseres, herroepen voor zover dit het tijdvak betreft waarover de sanctie is opgelegd. Nu aan de werkneemster een uitkering ingevolge de Wazo is toegekend over de periode van 26 april 2003 tot en met 16 augustus 2003 wordt de loondoorbetalingverplichting door deze periode onderbroken zodat de einddatum van de verlengingsperiode komt te liggen op 8 december 2003. Verweerder heeft dit aldus gemotiveerd dat door de arbeidsdeskundige ten onrechte is beoordeeld of eiseres voldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht. Al het feit dat eiseres heeft nagelaten om een compleet reïntegratieverslag in te dienen, ook nadat hem daartoe door verweerder nogmaals een hersteltermijn was gegeven, is voldoende reden om een administratieve sanctie op te leggen. De opgelegde sanctie is evenredig aan de ernst van het verzuim. Dat het niet hebben voldaan aan de verplichting vooral aan de werkneemster te wijten zou zijn, doet hier niet aan af, omdat eiseres als werkgever geacht wordt over voldoende dwangmiddelen te beschikken om de werkneemster te dwingen tot medewerking. Beoordeling Bij het bestreden besluit heeft verweerder de loondoorbetalingverplichting van eiseres in verband met de arbeidsongeschiktheid van de genoemde werkneemster, verlengd met vier maanden. Daarbij heeft verweerder beslist dat deze vier maanden wordt onderbroken gedurende de tijd dat de werkneemster recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo) in verband met haar zwangerschap en de bevalling. Dat betekent dat de loondoorbetalingverplichting loopt van 17 april tot en met 25 april 2003 en vervolgens van 17 augustus tot en met 8 december 2003. Verweerder heeft eiseres deze verplichting opgelegd omdat zij c.q. haar werkneemster geen compleet reïntegratie verslag heeft ingediend, en dit ondanks de mogelijkheid daartoe, zonder geldige reden niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld. Om deze reden heeft verweerder ook de WAO-aanvraag van de genoemde werkneemster afgewezen. In haar verweerschrift heeft verweerder nader uiteengezet, dat deze termijn van vier maanden een herstelperiode betreft. Als verweerder binnen die periode alsnog een volledig reïntegratie verslag inzendt, zal verweerder beoordelen of eiseres inderdaad is tekortgeschoten in haar verplichtingen en zal eventueel een sanctie volgen, die in het onderhavige geval niet maximaal 12 maanden, maar maximaal 9 maanden kan bedragen, gelet op de berichtgeving in de primaire fase. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres geen volledig reintegratie verslag heeft ingediend. Van de zijde van eiseres is aangevoerd dat er geen wettelijke grondslag bestaat om de loonbetalingsverplichting te onderbreken en dus weer te verlengen, met de periode waarover aan de werkneemster een Wazo-uitkering is verstrekt. Verder stelt eiseres dat zij wel een goede reden heeft dat het genoemde verslag niet tijdig is ingediend, omdat eiseres de werkneemster tevergeefs bij brief van 30 juli 2003 op haar verplichtingen heeft gewezen. Verder heeft eiseres gewezen op een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 mei 2004 en aangevoerd dat de opgelegde sanctie niet gerechtvaardigd is, en verweerders beleid in strijd is met de wet. De rechtbank overweegt het volgende. Hoewel in de wettelijke bepalingen geen regeling is getroffen voor de situatie dat tijdens de opgelegde verplichting aan eiseres een Wazo-uitkering wordt verstrekt, verzetten naar het oordeel van de rechtbank de bepalingen zich ook niet tegen de door verweerder genomen beslissing. Het ligt bovendien in de rede dat de verplichte doorbetalingperiode wordt onderbroken op de wijze als verweerder nu heeft toegepast. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de brief van eiseres van 30 juli 2003 niet kan worden beschouwd als een aansporing van de werkneemster om mee te werken aan het tijdig opstellen van een compleet reïntegratie verslag, reeds niet nu die brief is verzonden nadat door verweerder was vastgesteld dat het genoemde verslag te laat was ingediend. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld, dat eiseres zonder deugdelijke grond niet aan haar verplichtingen als bedoeld in artikel 71a WAO heeft voldaan. Gelet op het bepaalde in het negende lid van artikel 71a WAO stelt verweerder dan vervolgens een tijdvak vast gedurende welke eiseres het loon aan haar werkneemster moet doorbetalen. Volgens deze bepaling is dat tijdvak ten hoogste 52 weken en wordt het afgestemd op de aard en ernst van het verzuim, alsmede op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende reïntegratie inspanningen te leveren. Op grond van het 10e lid van artikel 71a WAO kunnen bij AmvB voor de toepassing van het negende lid regels worden gesteld. Omdat dit niet is gebeurd, heeft verweerder de Beleidsregels verlenging loondoorbetaling poortwachter vastgesteld (besluit van 12 maart 2003, Stcrt. 2003, 54). Eiseres heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 mei 2004. Blijkens die uitspraak heeft die rechtbank geoordeeld dat de genoemde beleidsregels niet voldoen aan de wettelijke vereiste afstemming voor zover de duur van de verlengde loondoorbetalingplicht is gesteld op ten minste vier maanden, omdat een dergelijke standaardtermijn niet in alle gevallen geacht kan worden overeen te komen met aard en ernst van het verzuim, en met de noodzaak om alsnog voldoende reïntegratie inspanningen te leveren. Ter zitting heeft verweerder betoogd dat een sanctieperiode van tenminste vier maanden wel in overeenstemming is met de wettelijke vereisten. Verweerder heeft o.a. gewezen op artikel 34a, vierde lid, aanhef en sub a WAO, waaruit volgt dat een nieuwe complete aanvraag moet worden ingediend, uiterlijk 13 weken voor het verstrijken van de loon(door)betalingsperiode. Dat betekent in de visie van verweerder dat een extra loondoorbetalingperiode van minder dan 13 weken sowieso niet mogelijk is, en dat een opgelegde periode van vier maanden dus in feite een herstelperiode van een maand impliceert. Verweerder heeft betoogd dat een in haar beleidsregels neergelegde minimumperiode van een dergelijke omvang, gelet ook op de uitvoeringstechnische aspecten, niet onevenredig is. De rechtbank ziet geen reden om verweerder in dit betoog niet te volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding voor het oordeel dat de genoemde beleidsregels op het punt van de minimum sanctieduur van vier maanden in strijd zijn met de wet dan wel dat de beleidsregels op dit punt niet in overeenstemming met de redelijkheid moeten worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder haar beleidsregels in het onderhavige geval juist toegepast en is er overigens geen reden de opgelegde sanctie onevenredig te achten. Beslist wordt als volgt. III. Beslissing De rechtbank: Verklaart het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak. Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzitter en uitgesproken in het openbaar op door mr. A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats, griffier. mr. H.L.A. van Kats mr. A.T. de Kwaasteniet Afschrift verzonden op: