Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8472

Datum uitspraak2004-12-08
Datum gepubliceerd2004-12-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/5302 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Is aan betrokkene terecht geen uitkering als bedoeld in artikel 29a van de Ziektewet toegekend?


Uitspraak

02/5302 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Namens appellant is op bij beroepschrift (met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht op 20 september 2002 tussen partijen gewezen uitspraak (SBR 02/1146), naar de inhoud waarvan hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 27 oktober 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Oltmans, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen. II. MOTIVERING Gedaagde was van 6 oktober 1997 tot 12 september 1999 in dienst van Randon Beveiliging B.V, en verrichtte laatstelijk werk als receptioniste/telefoniste bij KPN te Amersfoort. Op 8 juni 1998 is gedaagde wegens zwangerschapsklachten ongeschikt geworden tot het verrichten van haar werk. De bevalling heeft plaatsgevonden op 7 september 1998. Op 4 januari 1999 heeft gedaagde haar werk hervat. Per 22 maart 1999 heeft gedaagde zich opnieuw bij haar werkgever ziekgemeld wegens rugklachten. Op 13 december 1999 is gedaagde op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts, die haar wel arbeidsongeschikt achtte, maar niet ten gevolge van de bevalling of de zwangerschap. Appellant heeft aan gedaagde met ingang van 13 september 1999, aansluitend aan de beƫindiging van haar dienstbetrekking, een ziekengelduitkering toegekend, berekend naar 70% van het dagloon. Een verzoek van gedaagde om toekenning van een ziekengelduitkering vastgesteld ter hoogte van 100% van het dagloon, heeft appellant afgewezen. Dit is vervat in een door gedaagde op 2 mei 2000 ontvangen besluit, dat onder verwijzing naar artikel 29a van de Ziektewet is gebaseerd op de overweging, dat hier geen sprake was van een situatie waarin de ongeschiktheid tot werken aansluitend aan de bevallingsuitkering bestond. Gedaagde heeft tegen voormeld besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 juli 2000 is dit bezwaar ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 november 2001 dit besluit wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. Naar aanleiding van die uitspraak heeft appellant op 10 mei 2002 een nieuw besluit (het bestreden besluit) genomen, waarbij het bezwaar weer ongegrond is verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van 11 april 2002 van bezwaarverzekeringsarts Y. van der Voort, die gedaagde op een hoorzitting heeft gezien en kennis heeft genomen van het medisch dossier, waaronder informatie van de destijds behandelend neuroloog van gedaagde. Aan de hand hiervan heeft deze verzekeringsarts zich op het standpunt gesteld dat de arbeidsongeschiktheid niet aansluitend aan de bevallingsuitkering heeft bestaan en dat deze arbeidsongeschiktheid ook niet was te beschouwen als een gevolg van de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. De rechtbank heeft het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak vernietigd onder overweging - kort samengevat - dat de voorliggende medische informatie niet de conclusie kan dragen dat de ongeschiktheid van gedaagde tot het verrichten van haar arbeid niet haar oorzaak vindt in de bevalling en dat zij derhalve op 4 januari 1999 in staat was te achten haar arbeid te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank berustte het bestreden besluit aldus niet op een deugdelijke motivering, zodat het is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad ziet, anders dan de rechtbank, geen grond om het bestreden besluit niet in stand te laten. De Raad heeft daartoe het volgende overwogen. Krachtens artikel 29a, zevende lid, van de Ziektewet (zoals dit ten tijde in geding luidde) heeft de vrouwelijke verzekerde, indien zij - nadat het recht op ziekengeld in verband met haar bevalling is geƫindigd - aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon, zolang die ongeschiktheid duurt, doch ten hoogste gedurende 52 aaneengesloten weken. Naar uit de gedingstukken blijkt heeft gedaagde na de hervatting van haar werk op 4 januari 1999 tot haar ziekmelding op 22 maart 1999 zonder onderbreking gewerkt. Zij heeft haar werk dus gedurende een periode van meer dan 2,5 maanden volgehouden. Gedaagde heeft gesteld dat zij in die periode steeds last heeft gehad van rugklachten. Kennelijk waren die klachten echter niet zo ernstig dat deze haar hebben verhinderd haar werk, dat in de gedingstukken wordt omschreven als licht van aard en nauwelijks rugbelastend, gedurende die maanden naar behoren te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer heeft in een bij het beroepschrift gevoegd commentaar van 21 oktober 2002 in dit verband opgemerkt dat het hier ging om aspecifieke rugklachten, die niet kunnen worden gezien als een beletsel om normale niet rugbelastende arbeid te verrichten. Dit in aanmerking genomen is voor de Raad niet aannemelijk geworden dat gedaagde gedurende deze maanden in feite tot schade van haar gezondheid heeft gewerkt. De Raad ziet gezien het vorenstaande geen reden voor twijfel aan het door de betrokken bezwaarverzekeringsartsen ingenomen standpunt, dat gedaagde niet aansluitend aan de periode van de bevallingsuitkering arbeidsongeschikt was. Aan gedaagde is dan ook terecht geen uitkering als bedoeld in artikel 29a, destijds zevende lid, van de Ziektewet toegekend Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep ongegrond moet worden verklaard. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2004. (get.) Ch. van Voorst. (get.) J.W.P. van der Hoeven. Gw