Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8557

Datum uitspraak2004-12-24
Datum gepubliceerd2004-12-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/1484 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Heeft de rechtbank het ingestelde beroep tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn?


Uitspraak

04/1484 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, op daartoe bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 februari 2004, nr. 03/519 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft de Raad medegedeeld geen aanleiding te hebben tot het voeren van verweer. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 november 2004, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Brouwer, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. G.H. Tellinga, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Bij besluit van 12 juli 2002 heeft gedaagde de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, die was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, met ingang van 10 september 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 6 februari 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde appellantes bezwaar tegen het besluit van 12 juli 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat het bestreden besluit bij brief van 6 februari 2003 overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan (de toenmalige gemachtigde van) appellante is toegezonden, zodat de beroepstermijn op 7 februari 2003 is aangevangen en op 21 maart 2003 geëindigd. Als beroepschrift heeft de rechtbank aangemerkt een brief van appellantes gemachtigde van 14 april 2003, zodat de beroepstermijn is overschreden. Er zijn geen redenen gevonden om de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar te achten. In hoger beroep is het oordeel van de rechtbank bestreden. Daartoe heeft de gemachtigde van appellante uiteengezet dat destijds op 14 maart 2003 en 18 maart 2003 abusievelijk tweemaal beroep is ingesteld tegen een beslissing van het College van Procureurs-Generaal van 4 februari 2003. Het beroepschrift van 18 maart 2003 had gericht moeten zijn tegen het bestreden besluit van gedaagde inzake de herziening van de WAO-uitkering. Nadat de gemachtigde van appellante ontdekt had dat hij een fout had gemaakt, heeft hij contact opgenomen met een medewerker van de griffie van de rechtbank Leeuwarden. Die heeft hem verteld dat er een schriftelijke reactie moest komen. Daarop heeft de gemachtigde de rechtbank bij schrijven van 14 april 2003 verzocht de brief van 18 maart 2003 te beschouwen als zijnde gericht tegen gedaagdes besluit van 6 februari 2003, welk verzoek hij op 8 mei 2003 herhaalde. Vervolgens zou van de zijde van de rechtbank zijn medegedeeld dat, nu er duidelijk sprake was van een kennelijke vergissing, het beroepschrift van 18 maart 2003 alsnog zou worden beschouwd gericht te zijn tegen het bestreden besluit. In deze zienswijze achtte appellante zich gesteund door een brief van de rechtbank van 9 mei 2003, waarin alsnog een termijn werd gegeven voor het indienen van de gronden. De Raad overweegt als volgt. Evenals de rechtbank komt ook de Raad tot het oordeel dat de brief van appellantes gemachtigde van 14 april 2003 het eerste gedingstuk is dat betrekking heeft op het bestreden besluit en mede gelet op de inhoud van die brief kan worden aangemerkt als beroepschrift. In het schrijven van 18 maart 2003 wordt op geen enkele manier verwezen naar gedaagdes besluit van 6 februari 2003 en evenmin was dit besluit bijgevoegd, zoals voorgeschreven in artikel 6:5 van de Awb. Derhalve kan de brief van 18 maart 2003 redelijkerwijs niet worden aangemerkt als te zijn gericht tegen genoemd besluit van 6 februari 2003. Dit houdt in dat de beroepstermijn van artikel 6:7 van de Awb is overschreden. Ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend beroepschrift blijft ingevolge artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De Raad is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs zou moeten worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Volgens vaste jurisprudentie komen de gevolgen van een fout of vergissing (ten kantore) van een gemachtigde in beginsel voor rekening en risico van de betrokkene die die gemachtigde ten behoeve van een beroepsprocedure heeft ingeschakeld. Ook een mededeling van een medewerker van de rechtbank – wat daarvan overigens zij – kan in dit geval geen aanleiding zijn om van niet-ontvankelijkverklaring af te zien, nu de Raad niet is gebleken van enige in rechte te honoreren toezegging dienaangaande van de zijde van de rechtbank. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Simon en mr. M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2004. (get.) H. van Leeuwen. (get.) M. Gunter. RG