
Jurisprudentie
AR8561
Datum uitspraak2004-12-24
Datum gepubliceerd2005-01-03
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAwb 04 / 42
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-01-03
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAwb 04 / 42
Statusgepubliceerd
Indicatie
Grenzen van het geschil. De, ambtshalve, te toetsen ontvankelijkheidsvraag (de vraag of het beroep ontvankelijk is) betreft een vraag die voorafgaat aan de bepaling van de omvang van het geschil en onttrekt zich daarmee aan de reikwijdte van artikel 8:69 van de Awb.
Uitspraak
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
sector bestuursrecht
enkelvoudige kamer
UITSPRAAK
AWB 04/42
Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tuss[adres]n:
[adres]
[eiser] en [eiseres], wonende te [woonplaats], eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemert-Bakel, verweerder.
Derde-belanghebbende partij als bedoeld in artikel 8:26 van de Awb: [belanghebbende] en [belanghebbende], beiden wonende te Gemert.
I. PROCESVERLOOP
[eiser] heeft op 17 december 2001 een bouwvergunning aangevraagd voor het oprichten van een drietal kolommen met verlichting op het terras van café [betrokkene][adres]dres] te Gemert, kadastraal bekend gemeente Gemert, sectie [adres].
Bij brief van 11 april 2002 aan [eiser] heeft verweerder bekendgemaakt dat de gevraagde bouwvergunning van rechtswege is verleend. Derde-belanghebbenden zijn van die verlening in kennis gesteld.
Bij brieven van respectievelijk 11 en 13 mei 2002 hebben [belanghebbende] en [belanghebbende] tegen de met een besluit gelijk te stellen verlening van de bouwvergunning van rechtswege bij verweerder bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 5 maart 2003 (lees: 25 februari 2003), verzonden op 10 maart 2003, heeft verweerder het bezwaar van [belanghebbende] ongegrond en dat van [belanghebbende] gegrond verklaard en de verlening van de bouwvergunning herroepen.
Bij besluit van 27 november 2003, verzonden op 28 november 2003, heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning alsnog geweigerd, wegens strijdigheid van het bouwplan met redelijke eisen van welstand.
Eisers hebben tegen dit besluit bij brief van 7 januari 2004, ontvangen ter griffie op 8 januari 2004, bij de rechtbank beroep ingesteld.
De zaak is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2004, waar eisers zijn verschenen in persoon. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. [gemachtigde], werkzaam bij verweerders gemeente.
Derde-belanghebbenden zijn in persoon verschenen.
II. OVERWEGINGEN.
Aan de orde is of verweerders besluit van 27 november 2003, waarbij verweerder de door [eiser] op 17 december 2001 aangevraagde bouwvergunning voor een drietal kolommen met verlichting alsnog heeft geweigerd, in rechte stand kan houden.
De rechtbank ziet zich, alvorens aan een inhoudelijke behandeling van het beroep toe te kunnen komen, gesteld voor de vraag of dit ontvankelijk is.
Ingevolge artikel 7:11 van de Awb heroverweegt het bestuursorgaan, indien het bezwaar ontvankelijk is, op de grondslag daarvan het bestreden besluit, herroept het dat besluit voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft en neemt het, voorzover nodig, in de plaats daarvan een nieuw besluit.
Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat verweerder reeds op 25 februari 2003 op de door derde-belanghebbenden gemaakte bezwaren heeft beslist onder herroeping van de verlening van de bouwvergunning van rechtswege. Tegen dit besluit is, ondanks de daaronder geplaatste beroepsclausule, geen beroep ingesteld.
Eerst op 27 november 2003 heeft verweerder in de plaats van het herroepen besluit een nieuw besluit genomen als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb. Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.
De wijze waarop de besluitvorming naar aanleiding van het bezwaar in casu heeft plaatsgevonden, is niet in overeenstemming met artikel 7:11 van de Awb.
Gelet op de herroeping van de verlening van de bouwvergunning van rechtswege, naar aanleiding van de daartegen ingebrachte bezwaren, dient de vraag te worden beantwoord of verweerders besluit van 27 november 2003 wel als een beslissing op bezwaar kan worden beschouwd. Bij ontkennende beantwoording van deze vraag staat tegen dit besluit geen beroep open, maar hadden eisers bij verweerder bezwaar moeten maken. In dat geval is het beroep niet-ontvankelijk.
De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 10 december 2003, nr. 200302715/1, gepubliceerd in JB 2004/53, dat eerst met het besluit van 27 november 2003, waarbij de bouwvergunning is geweigerd, aan alle vereisten van artikel 7:11, tweede lid, van de Awb is voldaan. De besluiten van 25 februari 2003 en 27 november 2003 moeten dan ook worden geacht gezamenlijk de beslissing op het bezwaar te vormen, waartegen het beroep is gericht. Het beroep is derhalve ontvankelijk.
Van de zijde van verweerder is ter zitting gesteld dat de rechtbank zich in dit geval niet mag uitlaten over de vraag of de beslissing op bezwaar in overeenstemming met artikel 7:11 van de Awb is genomen. De gemachtigde van verweerder heeft daartoe, onder verwijzing naar de in afschrift ter zitting overgelegde uitspraak van de ABRS van 17 september 2003, nr. 200206922/1, ter zitting betoogd dat de rechtbank daarmee buiten de grenzen van het haar voorgelegde geschil zou treden.
De rechtbank deelt deze visie niet. De in deze zaak te beantwoorden vraag betreft namelijk, anders dan in de door verweerder aangehaalde uitspraak, een ambtshalve door de rechtbank te toetsen ontvankelijkheidsvraag. Die vraag gaat vooraf aan de bepaling van de omvang van het geschil en onttrekt zich daarmee aan de reikwijdte van artikel 8:69 van de Awb.
De rechtbank overweegt met betrekking tot het beroep verder als volgt.
Verweerder heeft de bouwvergunning voor de kolommen met verlichting alsnog geweigerd, omdat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Verweerder baseert dit standpunt op het door Welstandszorg Noord-Brabant uitgebrachte welstandsadvies van 23 januari 2002. In dit advies is aangegeven dat de commissie zich ter plaatse heeft georiënteerd. De commissie is van mening dat de verlichtingsarmaturen conflicteren en concurreren met de aanwezige en specifiek vormgegeven straatverlichtingsvoorzieningen. Het pand krijgt volgens de commissie met deze toevoegingen een te dominante rol in het straatbeeld en verwijst in dat verband naar het voor [adres] opgestelde Beeldkwaliteitsplan.
Eisers voeren, in essentie aan dat er reeds vanaf 1990 grote verlichtingsarmaturen stonden die toen onder de leefmilieuverordening vielen. Deze armaturen zijn nu vervangen door de thans aangevraagde. Hierop is het overgangsrecht van de leefmilieuverordening van toepassing.
Verweerder heeft volgens eisers een procedurefout gemaakt door niet binnen dertien weken te beslissen op de aanvraag.
Bij de vergunningverlening zat geen welstandsadvies. Eisers zeggen dit pas drie dagen voor de hoorzitting te hebben gezien.
Tot slot voeren eisers aan dat verweerder reeds bij brief van 27 december 1999 heeft aangegeven dat het bouwplan past binnen de toekomstige visie van de gemeente Gemert-Bakel, zodat de opmerkingen over welstand niet dwingend behoeven te worden gevolgd.
Op grond van artikel 40 van de Woningwet, zoals dit artikel luidde op het voor dit geschil relevante tijdstip (de datum van de aanvraag om bouwvergunning), is het verboden om te bouwen zonder een (bouwvergunning), verleend door burgemeester en wethouders.
Op grond van artikel 44, aanhef en onder d, van de op dat moment geldende Woningwet mag een bouwvergunning en moet een bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Woningwet dienen burgemeester en wethouders binnen dertien weken na de dag waarop zij de aanvraag om bouwvergunning hebben ontvangen op die aanvraag te beslissen. Op grond van het vierde lid van dit artikel wordt de bouwvergunning geacht van rechtswege te zijn verleend, indien burgemeester en wethouders niet binnen de gestelde termijn op de aanvraag hebben beslist. Op grond van het zesde lid van artikel 46 van de Woningwet wordt een dergelijke verlening van de bouwvergunning van rechtswege met een besluit te worden gelijkgesteld.
Niet in geschil is dat voor het in geding zijnde bouwplan een bouwvergunning nodig is. De rechtbank sluit zich bij die visie aan.
Evenmin is in geschil dat de gevraagde bouwvergunning niet binnen de daarvoor gestelde termijn van dertien weken is verleend en dat, omdat geen verlenging van de beslistermijn heeft plaatsgevonden, de bouwvergunning in verband hiermee van rechtswege is verleend.
De beroepsgronden hebben enkel betrekking op de vraag of verweerder de bouwvergunning terecht alsnog heeft geweigerd omdat de kolommen met verlichtingsarmaturen niet voldoen aan redelijke eisen van welstand. De vraag of er andere weigeringsgronden zijn, komt dientengevolge in dit geschil niet aan de orde.
Eisers moet worden toegegeven dat verweerder niet verplicht is om het welstandsadvies op te volgen. De door eisers genoemde brief van 27 december 1999 waarin zou zijn aangegeven dat het bouwplan past binnen de toekomstige visie van de gemeente Gemert-Bakel betekent evenwel niet dat daarmee een oordeel is gegeven over de welstand van het in die brief bedoelde bouwplan, dat meer omvat dan de in deze zaak ter beoordeling staande bouwwerken.
Bovendien heeft verweerder met betrekking tot het al dan niet volgen van het welstandsadvies een discretionaire bevoegdheid die de rechtbank slechts marginaal kan toetsen. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of verweerder het advies in redelijkheid aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het welstandsrapport niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat het qua inhoud onzorgvuldig is. De rechtbank vindt voor een dergelijke oordeel ook geen aanknopingspunten in de stellingen van eisers. Verweerder heeft dit rapport dan ook in redelijkheid aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen. De rechtbank betrekt hierbij dat eisers geen contrarapportage hebben ingediend waaruit kan worden afgeleid dat de kolommen met verlichtingsarmaturen wel aan redelijke eisen van welstand zouden voldoen.
De rechtbank is niet gebleken dat eisers niet in de gelegenheid zijn geweest om adequaat op het welstandsadvies te reageren, dan wel om een tegenadvies over te leggen, alvorens verweerder tot het alsnog weigeren van de bouwvergunning besloot. Dat eisers, naar hun zeggen, eerst enkele dagen voor de hoorzitting kennis hebben kunnen nemen van het welstandsadvies, kan derhalve, mede in aanmerking nemende dat dit advies niet meer dan een half A-viertje beslaat, niet tot vernietiging van het bestreden besluit op grond van zorgvuldigheidsoverwegingen leiden.
Verweerder heeft, nu de overige weigeringsgronden in dit geschil niet ter beoordeling staan, bij het bestreden besluit de bouwvergunning terecht alsnog geweigerd wegens strijd met artikel 44, aanhef en onder d, van de Woningwet.
Hetgeen eisers verder nog hebben aangevoerd, vermag aan het vorenstaande niet af te doen.
Het beroep is, gelet op het vorenoverwogene, ongegrond.
De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van A.H.J. van der Donk als griffier op 24 december 2004.
De griffier is buiten staat om
deze uitspraak mede te ondertekenen
Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
Afschrift verzonden:
5
AWB 04/42

