
Jurisprudentie
AR8670
Datum uitspraak2004-12-23
Datum gepubliceerd2005-01-04
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers07.410315-04
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-01-04
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers07.410315-04
Statusgepubliceerd
Indicatie
(geen) voorwaardelijk opzet
Uitspraak
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 07.410315-04
Uitspraak: 23 december 2004
S T R A F V O N N I S
in de zaak van het openbaar ministerie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
thans verblijvende [adres] te [verblijfplaats].
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2004 en 12 december 2004. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K. Spoor, advocaat te Steenwijk.
De officier van justitie, mr. E.E.G. Duijts, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake van het ten laste gelegde feit tot:
- een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact en aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;
- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij als voorschot op de materiële schade voor een bedrag van € 1.000,00.
TENLASTELEGGING
De verdachte is ten laste gelegd dat:
(volgt tenlastelegging)
BEWIJS
Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat verdachte de hem verweten gedraging niet willens en wetens heeft verricht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel de bij het voorval aanwezige getuigen als verdachte hebben verklaard dat zij niet het oogmerk hadden om brand te stichten, dat zij daarover onderling niet hebben gesproken en dat daarover evenmin plannen zijn gemaakt.
Vervolgens is de vraag aan de orde of in dit geval het opzet in de zogenoemde voorwaardelijke vorm bewezen kan worden geacht. Voorwaardelijk opzet op de brand is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden.
Verdachte heeft verklaard dat hij er van uit ging dat het plastic krat niet meer brandde toen hij het op het dak van het sportcomplex gooide. De getuigenverklaringen over het al dan niet branden van het krat zijn niet geheel eenduidig. In ieder geval staat vast dat het plastic krat kort voor genoemd moment in brand heeft gestaan en dat verdachte het krat een paar keer heen en weer heeft bewogen alvorens deze op het dak te werpen. Naar het oordeel van de rechtbank is de kans dat een plastic krat dan nog nasmeult en dat als gevolg daarvan brand ontstaat naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten en kan worden aangenomen dat verdachte weet moet hebben gehad van de aanmerkelijke kans op dit gevolg.
Vervolgens is de vraag aan de orde of verdachte die kans ten tijde van de gedraging ook bewust heeft aanvaard. In dit verband is van belang dat de verklaring van verdachte en de getuigenverklaringen geen inzicht geven over wat in verdachte is omgegaan op het moment dat hij het krat op het dak gooide. In aanmerking genomen dat het de desbetreffende dag regende en dat niet vast staat dat op het moment van het gooien van het krat nog daadwerkelijk vlammen zichtbaar waren, is de rechtbank van oordeel dat deze gedraging naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet kan worden aangemerkt als zo zeer gericht op het gevolg (de brand) dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Dit leidt er toe dat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet, maar van bewuste schuld. Nu dit laatste verdachte niet is ten laste gelegd, acht de rechtbank het ten laste niet bewezen. Verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
Benadeelde partij
Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de Gemeente Kampen zich gevoegd heeft als benadeelde partij in het strafproces.
De benadeelde partij is, gelet op de vrijspraak van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde, niet ontvankelijk in haar vordering.
BESLISSING
Het ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij Gemeente Kampen in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Aldus gewezen door mr. C.A.M. Heeregrave, voorzitter, mrs. H.F.J.M. Schröder en C.W. van Kooten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.J.D. van Doleweerd als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2004.
Mr. Heeregrave voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

