Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8877

Datum uitspraak2004-12-31
Datum gepubliceerd2005-01-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/784 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Medische en arbeidskundige grondslag van de arbeidsongeschiktheidsschatting niet voor onjuist gehouden.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/784 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Appellant is op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Utrecht onder dagtekening 8 januari 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr.: SBR 02/246), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft bij schrijven van 23 april 2003 van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 november 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde na schriftelijke kennisgeving zich niet heeft laten vertegenwoordigen. II. MOTIVERING Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in rubriek II van de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat gedaagde bij besluit van 13 november 2000 de eertijds ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO) aan appellant naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% toegekende uitkering, per 1 januari 2001 heeft ingetrokken. Bij besluit op bezwaar van 20 december 2001 heeft gedaagde dit besluit in die zin gehandhaafd dat de intrekking van deze uitkering per 10 januari 2001 is geschied. In beroep en in hoger beroep heeft appellant (samengevat) aangevoerd dat het op 6 juli 2000 door de verzekeringsarts R.S. Biemond-Phaff uitgevoerde onderzoek weliswaar mede ten doel had zijn medische beperkingen vast te stellen in het kader van de voorgeschreven vijfdejaars herbeoordeling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid, maar toch in hoofdzaak was toegespitst op de mogelijkheden van appellant om te reïntegreren in het arbeidsproces. Voorts heeft appellant gewezen op een afspraak tussen het provinciaal Utrechts WAO-beraad en de toenmalige uitvoeringsorganisatie van gedaagde Cadans dat tijdens een reïntegratietraject niet gekeurd dan wel herkeurd zou worden. In dat verband heeft appellant vermeld dat hij in 1999/2000 de cursus ‘Van WAO naar werk’ heeft gevolgd en vervolgens de cursus ‘Arbeidsongeschiktheidswetgeving’. Gedaagde heeft hiertegenover gesteld dat in het onderzoek van de verzekeringsarts naast de belastbaarheid vanzelf- sprekend ook reïntegratieaspecten aan de orde zijn gekomen. Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat in het geval van appellant geen sprake is geweest van scholing als bedoeld in artikel 43, vierde lid, van de WAO, zoals deze bepaling destijds luidde. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat appellant de gestelde afspraak tussen het Provinciaal Utrechts WAO-beraad en Cadans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat een dergelijke afspraak ook niet in overeenstemming zou zijn met de ter zake geldende regelgeving, dat het onderzoek van de verzekeringsarts mede gericht was op de vaststelling van de belastbaarheid van appellant in het kader van de herbeoordeling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid, dat geen sprake is geweest van ondubbelzinnige toezeggingen van (een functionaris van) gedaagde dat de WAO-uitkering zou worden voortgezet tijdens een reïntegratiepoging en dat appellant ten tijde hier in geding, 10 januari 2001 geen opleiding of scholing volgde, zodat artikel 43, vierde lid, van de WAO aan de intrekking van de uitkering van de WAO-uitkering niet in de weg stond. De Raad verenigt zich geheel met het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad nog aanleiding te overwegen dat, wat er ook zij van de gestelde afspraak tussen het provinciaal Utrechts WAO-beraad en Cadans (ook in hoger beroep heeft appellant de gestelde afspraak niet aannemelijk kunnen maken), die afspraak niet aan de toepassing door gedaagde van dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen in de weg kan staan. Die toepassing staat immers niet ter vrije beschikking van gedaagde en diegenen die optreden als belangenbehartigers van WAO-gerechtigden. Ook overigens ziet de Raad geen gronden voor het oordeel dat de medische en arbeidskundige grondslag van de arbeidsongeschiktheidsschatting van appellant per 10 januari 2001 voor onjuist moet worden gehouden. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 december 2004. (get.) D.J. van der Vos. (get.) N.E. Nijdam.