Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR9176

Datum uitspraak2004-11-24
Datum gepubliceerd2005-01-10
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/3426 WVG
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering verhuiskostenvergoeding omdat er geen medische noodzaak voor verhuizing was.


Uitspraak

P R O C E S - V E R B A A L van de mondelinge uitspraak op 24 november 2004 CENTRALE RAAD VAN BEROEP meervoudige kamer Zitting heeft: mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter, en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert en mr. R.H.de Bock, als leden; griffier: C.H.T.W. van Rooijen 2e Zaak, reg.nr: 04/ 3426 WVG Inzake: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verschenen bij mr. M. van der Hijden, werkzaam bij gedaagde, tegen [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, niet verschenen. Nadat de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 9 juli 2003 het besluit op bezwaar van appellant heeft vernietigd, heeft appellant op 28 augustus 2003 een nieuw besluit op bezwaar genomen op het verzoek om een verhuiskostenvergoeding van gedaagde. In dit nieuwe besluit - het thans bestreden besluit - heeft appellant zijn eerdere afwijzing van het verzoek gehandhaafd, omdat, kort samengevat, er geen medische noodzaak voor verhuizing was. Bij uitspraak van 4 juni 2004 (de aangevallen uitspraak) heeft de rechtbank Amsterdam het bestreden besluit vernietigd, omdat er naar haar oordeel na de eerdere uitspraak van 9 juli 2003 geen ruimte meer was voor appellant om tot een andere conclusie te komen dan een bevestigend antwoord op de vraag of gedaagde voldeed aan de voorwaarden voor een verhuiskostenvergoeding. Het hoger beroep dat gedaagde tegen deze uitspraak instelt is naar het oordeel van de Raad ongegrond. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 9 juli 2003 immers zonder enig voorbehoud overwogen dat gedaagde objectief aantoonbare beperkingen ondervindt ten gevolge van ziekte of gebrek, die hebben geleid tot beperkingen die zij bij het normale gebruik van de door haar bewoonde woonruimte ondervond, welke zijn opgeheven door de verhuizing van gedaagde. Appellant heeft berust in die uitspraak. Gelet daarop kon appellant zich in het thans bestreden besluit niet wederom op het standpunt stellen dat er geen medische noodzaak was voor gedaagde om te verhuizen. Of het in de uitspraak van 9 juli 2003 door de rechtbank gegeven oordeel - dat niet als een evidente misslag kan worden aangemerkt - al dan niet juist was, kan in het midden blijven nu appellant tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De Raad beslist als volgt: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Utrecht, 24 november 2004 De plv. griffier, De fungerend voorzitter, (get.) C.H.T.W. van Rooijen. (get.) mr. M.I. ’t Hooft. Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep