Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AS2090

Datum uitspraak2004-12-21
Datum gepubliceerd2005-01-11
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/2976 NABW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening bijstandsuitkering in verband met inkomsten uit arbeid. Terugvordering gemaakte kosten aan bijstand. Hoogte van de opgelegde boete.


Uitspraak

02/2976 NABW(rectificatie) U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. J.H. Oude Wolcherink, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp Breda, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 mei 2002, reg.nr. 01/2107. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en de Raad desgevraagd nadere stukken doen toekomen. Mr. M.A. Breewel-Witteveen, advocaat te Roosendaal, heeft, als opvolgend gemachtigde van appellant, bij schrijven van 25 november 2004 het beroepschrift nader aangevuld. Het geding is behandeld ter zitting van 7 december 2004, waar voor appellant is ver-schenen mr. Breewel-Witteveen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door A.C. IJff, werkzaam bij de gemeente Rheden. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandig-heden. Appellant ontving vanaf 1 augustus 1998 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 13 augustus 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellant over oktober 1998, over maart 1999 tot en met mei 1999 en over augustus 1999 herzien op de grond dat appellant over die maanden inkomsten uit arbeid heeft genoten welke inkomsten hij niet heeft opgegeven, en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 1.799,60 (lees: f 1.779,60) met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw van appellant teruggevorderd. Voorts is in hetzelfde besluit appellant een boete opgelegd van f 200,--, zijnde 10% van het bruto fraudebedrag, naar boven afgerond op een veelvoud van f 25,--. Appellant heeft naar aanleiding van het besluit van 13 augustus 2001 bezwaar gemaakt met gebruikmaking van de volgende aanhef: " Hierbij wil ik beantwoorden op uw verzoek van herziening op aan mij opgelegde boete. Ik ben namelijk helemaal niet eens met zo’n besluit. (…)". Bij besluit van 7 november 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 13 augustus 2001 ongegrond verklaard. Naar aanleiding van het tegen het besluit van 7 november 2001 ingestelde beroep, dat tegen de terugvordering en tegen de boete is gericht, heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak onder meer het volgende overwogen (waarbij appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid): " De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser tijdens de bezwaarprocedure zijn grieven alleen heeft gericht tegen de door verweerder opgelegde boete en niet tegen de terugvordering van de ten onrechte verleende uitkering. Eiser heeft eerst in zijn beroepschrift gronden aangevoerd tegen voornoemde terugvordering. Deze gronden kunnen naar het oordeel van de rechtbank dientengevolge niet in de beoordeling worden betrokken. Gelet op het vorenstaande zijn de herziening van de bijstands-uitkering en het terugvorderingsbesluit in rechte vast komen te staan.". De rechtbank heeft vervolgens het beroep tegen het besluit van 7 november 2001 voor-zover dat ziet op de boete ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het bezwaarschrift van appellant naar zijn strekking niet enkel is gericht tegen het besluit van 13 augustus 2001 voorzover dat ziet op de boete, maar tevens voorzover dat besluit betrekking heeft op de herziening en de terugvordering. Gedaagde heeft dit, gelet op de overwegingen van het besluit van 7 november 2001 en het aan dat besluit ten grondslag gelegde advies van de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften van 25 oktober 2001, ook als zodanig opgevat. Daarbij heeft gedaagde mee kunnen laten wegen dat zowel de boete als ook de herziening en terugvordering hun grond vinden in het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Uit de aanhef en overige bewoordingen van het bezwaarschrift valt voorts af te leiden dat het bezwaar zich richt tegen het gehele besluit van 7 november 2001. Het voorgaande betekent dat de rechtbank - in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - ten onrechte uitsluitend heeft beslist op het beroep van appellant voorzover dit is gericht tegen de opgelegde boete en niet tevens op het beroep tegen de herziening en de terugvordering. De aangevallen uitspraak dient derhalve in zoverre te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad, gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, tevens een beslissing geven over het besluit van 7 november 2001 voorzover dat ziet op de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over oktober 1998, maart 1999 tot en met mei 1999 en augustus 1999. Dienaangaande is namens appellant ter zitting nog meegedeeld dat het beroep tegen de terugvordering enkel ziet op de vraag of sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De Raad, zich beperkende tot dit punt van geschil, komt tot de volgende beoordeling. Dringende redenen kunnen naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uit-spraak van 19 december 2002, gepubliceerd in RSV 2003/42 en USZ 2003/67) slechts zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De door appellant aangevoerde omstandigheid dat hij ten tijde van de werkzaamheden ziek was als gevolg van een ernstige depressie en dat hij hierdoor de werkelijkheid niet (volledig) onder ogen kon zien kan, wat daar verder van zij, naar het oordeel van de Raad niet als een dringende reden als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw worden aangemerkt. De Raad is ook in hetgeen overigens namens appellant is aangevoerd niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in voormeld artikel, zodat gedaagde niet bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Ten aanzien van de boete komt de Raad tot de volgende beoordeling. Gelet op artikel 2, aanhef en onder a, van het Inwerkingtredingsbesluit Wet werk en bijstand en artikel 2 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 386) in combinatie met het gegeven dat de in artikel 2, eerste lid, van de Invoeringsregeling WWB (Stcrt. 2003, 203) bedoelde verordeningen nog niet in werking zijn getreden, stelt de Raad vast dat ter zake van het niet nakomen van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw opgenomen inlichtingenverplichting in de gemeente Rheden thans onder meer artikel 14a van de Abw nog van kracht is. Vaststaat dat appellant over de periode in geding inkomsten heeft verworven en dat hij hiervan geen opgave aan gedaagde heeft gedaan, zodat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Ingevolge het eerste lid van artikel 14a van de Abw is gedaagde verplicht vanwege die gedraging een boete op te leggen. De Raad is evenals de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat bij appellant elke vorm van verwijtbaarheid ter zake van de schending van zijn inlichtingenverplichting ontbreekt en dat die - met toepassing van artikel 14a, tweede lid, tweede volzin, van de Abw - gedaagde ertoe hadden moeten brengen van het opleggen van een boete af te zien. De door appellant aangevoerde omstandigheid dat hij ten tijde van belang ernstig depressief was als gevolg waarvan hem de gedraging niet kan worden verweten, brengt de Raad niet tot een ander oordeel nu appellant dit niet met medische stukken heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt. De overgelegde verklaring van drs. C.M. Bruijning van 21 september 2001 acht de Raad in dit verband onvoldoende, aangezien uit die verklaring enkel blijkt dat appellant over de periode van januari 1999 tot en met januari 2000 onder psychotherapeutische behandeling is geweest. Gedaagde heeft uitgaande van het benadelingsbedrag van f 1.779,60 met toepassing van de artikelen 2 en 3 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten de boete vastgesteld op een bedrag van f 200,--. De Raad is niet gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding geven om de boete met toepassing van artikel 14a, tweede lid, eerste volzin, van de Abw op een ander bedrag vast te stellen. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 14a, vierde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde van het opleggen van een boete zou kunnen afzien is evenmin gebleken. De aangevallen uitspraak komt derhalve in zoverre voor bevestiging in aanmerking. De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij niet is beslist ten aanzien van de terugvordering; Verklaart het beroep voorzover het is gericht tegen de terugvordering ongegrond; Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Rheden aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat de gemeente Rheden aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt. Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. H.J. de Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2004. (get.) R.H.M. Roelofs. (get.) P.C. de Wit. 1712