Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AS3245

Datum uitspraak2005-01-11
Datum gepubliceerd2005-01-19
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/2843 NABW
Statusgepubliceerd


Indicatie

In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het niet betalen van het griffierecht.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/2843 NABW U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposant], wonende te [woonplaats], opposant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 24 augustus 2004 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 april 2004, reg.nr. 03/1171 ABW, niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 21 december 2004, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De uitspraak van de Raad van 24 augustus 2004 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 102,-- niet binnen de door de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 22 juni 2004 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest. In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn eerder genoemde uitspraak is gegeven. In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen, merkt de Raad op dat vaststaat dat opposant niet binnen de gestelde termijn heeft betaald. De Raad ziet geen aanleiding om te oordelen dat dit verzuim opposant niet kan worden tegengeworpen. Daarbij tekent de Raad aan dat opposant niet binnen de termijn om uitstel van betaling van het griffierecht heeft gevraagd. Voorts is gesteld noch gebleken dat opposant in verband met de gestelde betalingsonmacht (tijdig) van de mogelijkheid tot het aanvragen van bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht voor het onderhavige hoger beroep gebruik heeft gemaakt. Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb ongegrond te verklaren. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2005. (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) R. van den Munckhof. EK2912