Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AS3785

Datum uitspraak2005-03-08
Datum gepubliceerd2007-07-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02503/04 H
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening


Conclusie anoniem

Griffienr. 02503/04 H Mr. Wortel Zitting:18 januari 2005 Conclusie inzake: [Aanvrager] 1. Mr E.J.P. Nolet, advocaat te 's-Gravenhage heeft bij schriftuur namens de bovengenoemde persoon - hierna de aanvrager - herziening verzocht van een vonnis van de Kantonrechter te 's-Gravenhage, op 5 januari 2004 op tegenspraak gewezen. Daarbij is de aanvrager veroordeeld tot twee weken hechtenis en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen door de duur van 6 maanden omdat hij - kort en feitelijk gezegd - op 17 juni 2002 met een onverzekerde auto op de weg heeft gereden. 2. In de schriftuur wordt het volgende gesteld. Op 4 juni 2004 (lees: 2002) heeft de aanvrager een autoverzekering aangevraagd. Daarop is voorlopige dekking verleend. Op 6 juli 2002 is wederom geconstateerd dat verzoeker in een onverzekerde auto reed, hetgeen heeft geleid tot een dagvaarding voor een zitting van de Kantonrechter te Dordrecht. Naar aanleiding van hetgeen verzoeker aldaar heeft betoogd heeft de officier van justitie achterhaald dat verzoekers auto op 6 juli 2002 was verzekerd. Pas toen (ik begrijp: via de officier van justitie of naar aanleiding van diens onderzoek) is verzoeker in het bezit gekomen van een brief van de verzekeringstussenpersoon, gedateerd 2 juli 2002, waarin is bevestigd dat er per 4 juni 2002 voorlopige dekking is verleend. In het vonnis van 5 januari 2004, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft verzoeker aanvankelijk berust omdat hij geen schriftelijk bewijs kon leveren voor zijn stelling dat zijn auto op 17 juni 2002 verzekerd was. 3. Een merkwaardig verhaal. De brief van de verzekeringstussenpersoon gedateerd 2 juli 2002, waarvan een afschrift bij de schriftuur is gevoegd, is aan de aanvrager geadresseerd. Nu het vonnis, waarvan herziening wordt gevraagd, op tegenspraak is gewezen rijst de vraag waarom verzoeker niet in staat zou zijn geweest die brief reeds ter terechtzitting van de Kantonrechter te produceren. Dat klemt temeer omdat hij in de andere strafzaak, betreffende het op 6 juli 2002 gepleegde feit, kennelijk wel voldoende wist aan te voeren om de Kantonrechter de behandeling te laten aanhouden, en de officier van justitie tot een nader onderzoek te bewegen. Wellicht wijselijk laat de aanvrager onvermeld wanneer die andere strafzaak heeft gediend. 4. Intussen dwingt de in afschrift overgelegde brief van de verzekeringstussenpersoon tot de gevolgtrekking dat er ten aanzien van de auto met het in de tenlastelegging genoemde kenteken vanaf 4 juni 2002 voorlopige dekking is verleend, ten minste tot aan de dag waarop die brief is gedateerd, 2 juli 2002. 5. Aannemende dat de Kantonrechter met die brief, althans verzoekers stelling dat de auto op 17 juni 2002 verzekerd was, niet bekend is geweest, rijst derhalve het ernstig vermoeden dat de Kantonrechter, indien hij met die brief wèl bekend was geweest, het tenlastegelegde feit niet bewezen zou hebben verklaard. De aanvrage lijkt derhalve gegrond te zijn. 6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het op 5 januari 2004 door de Kantonrechter te 's-Gravenhage gewezen vonnis zal bevelen, en de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage zal verwijzen teneinde op de voet van art. 467 Sv opnieuw te worden behandeld en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,


Uitspraak

8 maart 2005 Strafkamer nr. 02503/04 H SM Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 5 januari 2004, nummer 09/156646-03, ingediend door mr. E.J.P. Nolet, advocaat te 's-Gravenhage, namens: [Aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats]. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden" gepleegd op 17 juni 2002 met het motorrijtuig voorzien van het kenteken [AA-00-BB], veroordeeld tot twee weken hechtenis met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. 2. De aanvrage tot herziening In de aanvrage wordt gesteld dat op 17 juni 2002 voor het motorrijtuig met het kenteken [AA-00-BB] wel een verzekering overeenkomstig de WAM van kracht was. Ter staving van deze stelling is een schriftelijke verklaring overgelegd van Assurantiebedrijf [A] van 2 juli 2002, inhoudende, voorzover van belang: "Betreft: aanvraag Motorrijtuigen (...) Inzake bovengenoemde verzekering bevestigen wij de ontvangst van het door u aan ons gezonden aanvraagformulier. Per 04-06-2002 verlenen wij voorlopige dekking op basis van de volgende gegevens: Soort verzekering: Autoverz. WA Merk: Alfa romeo (...) Kenteken: [AA-00-BB] (...) Dekking: WA Eerstkomende vervaldatum: 04-09-2002 Contractsvervaldatum: 04-06-2003." Voorts is overgelegd een verklaring van Stad Rotterdam Verzekeringen van 25 maart 2004, welke verklaring is verstrekt in verband met een andere strafzaak tegen de aanvrager, inhoudende, voorzover van belang: "Ter voldoening aan het gestelde in artikel 34, lid 2, van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verklaart: N.V. Maatschappij van Assurantie, Discontering en Beleening der Stad Rotterdam Anno 1720, Weena 70, 3012 CM ROTTERDAM code CRWAM: [001] dat op: 06-07-2002 voor het motorrijtuig met kenteken: [AA-00-BB] een verzekering van kracht was die aan de op die datum door of krachtens de WAM gestelde eisen voldeed en die was afgesloten onder polisnummer: [002]. Inmiddels hebben wij het CRWAM, voorzover noodzakelijk, aangevuld dan wel gecorrigeerd." 3. De conclusie van de Advocaat-Generaal De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan. 4. Beoordeling van de aanvrage De Hoge Raad is van oordeel dat een nader onderzoek omtrent het in de aanvrage gestelde noodzakelijk is alvorens een beslissing kan worden genomen. 5. Beslissing De Hoge Raad: Beveelt een onderzoek als hiervoor onder 4 bedoeld; Draagt dit onderzoek op aan de raadsheer mr. J. de Hullu die daartoe bij deze tot Raadsheer-Commissaris is benoemd; Houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 8 maart 2005.