Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AS3861

Datum uitspraak2004-09-03
Datum gepubliceerd2005-01-26
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers04/3018
Statusgepubliceerd


Indicatie

De rechtbank heeft een vverzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling van de opgeëiste persoon afgewezen. Overwegingen mbt art 12 van het kaderbesluit en artikel 5 van het EVRM mbt de detentie van de opgeëiste persoon.


Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM NEGENDE KAMER Parketnummer: 13.097.135-2004 RK nummer: 04/3018 BESLISSING De rechtbank heeft op 3 september 2004 de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank behandeld, inzake de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende [adres], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Flevoland, Huis van Bewaring “Almere Binnen” te Almere. Verder te noemen de opgeëiste persoon. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr P.M.S. Dijks, advocaat te Maastricht, heeft bij de behandeling op 3 september 2004, waar tevens zijn gehoord de officier van justitie en de opgeëiste persoon, haar pleitnota aan de rechtbank overgelegd en voor zover hier van belang om de onmiddellijke invrijheidstelling van haar cliënt verzocht. In deze pleitnota, welke aan deze beslissing is gehecht, en waarvan de inhoud - voor zover van toepassing - als hier ingevoegd geldt, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de detentie van de opgeëiste persoon is bevolen in strijd met het in de pleitnota genoemde kaderbesluit. Zij stelt onder meer: “In artikel 12 van dat Verdrag, dat Kaderbesluit wordt voorgeschreven dat als een persoon wordt aangehouden op grond van een EAB, de uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist of de betrokkene in hechtenis blijft. Volgens onze regeling kan het echter zo zijn dat de betrokkene na zijn aanhouding gedetineerd blijft zonder dat een rechterlijke autoriteit over die detentie heeft beslist. Een (hulp)officier van justitie is immers geen rechterlijke autoriteit.” Zij verzoekt de rechtbank de bepalingen van de Overleveringswet, waarop de detentie van de opgeëiste persoon is gegrond, buiten toepassing te laten en hem onmiddellijk in vrijheid te stellen. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de detentie in strijd is met artikel 5 van het EVRM, nu niet is voldaan aan de recent door het Europese Hof gestelde eis dat de beslissing hieromtrent dient te worden gegeven door een rechtbank of een rechter of een andere magistraat die door wet bevoegd is rechterlijke macht uit te oefenen. De rechtbank heeft in afwachting van nadere informatie van de Belgische autoriteiten, de behandeling van het overleveringsverzoek aangehouden tot de zitting van 10 september 2004, zodat deze beslissing uitsluitend betrekking heeft op het verzoek tot invrijheidstelling. De rechtbank overweegt ter zake van het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling het volgende, waarbij de rechtbank acht heeft geslagen op de stukken die op de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon betrek-king hebben. Ten aanzien van de bevoegde rechterlijke autoriteit. Wat er ook zij van de vraag of er nu wel of geen sprake is van rechtstreekse werking van het Kaderbesluit, het standpunt van de raadsvrouw dat slechts de rechtbank Amsterdam dient te worden gezien als de uitvoerende rechterlijke autoriteit, als bedoeld in artikel 12 van het Kaderbesluit, berust op een onjuiste lezing van de bepalingen, nu, naar het oordeel van de rechtbank, het Kaderbesluit niet dwingt tot een zo beperkte opvatting van het begrip ‘rechterlijke autoriteit’. De Overleveringswet strekt tot implementatie van het Europese kaderbesluit (EKB) van 13 juni 2002 van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees Aanhoudingsbevel (EAB) en de procedures tussen de lidstaten van de Europese Unie. Uit artikel 6 van voornoemd Kaderbesluit valt af te leiden dat iedere lidstaat een rechterlijke autoriteit dient aan te wijzen die bevoegd is krachtens het recht van de verzoekende dan wel uitvoerende Staat. Nu het Kaderbesluit verder niet toelicht wat onder het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ – in de Engelse tekst overigens omschreven als ‘judicial authority’- dient te worden verstaan, wordt aan de lidstaten de vrijheid gelaten zelf te bepalen welke autoriteit volgens zijn recht bevoegd is. Dit is ook conform artikel 34 van het Verdrag van de Europese Unie, waarin wordt bepaald dat, bij de opdracht om de inhoud van het kaderbesluit te implementeren in nationale wetgeving, aan de nationale instanties de ruimte is gelaten vorm en middelen te kiezen. Dat heeft ertoe geleid dat verschillende lidstaten autoriteiten als bevoegde autoriteit hebben aangewezen die, strikt genomen, geen rechterlijke autoriteit zijn. Een duidelijk voorbeeld hiervan is Denemarken, die de Minister van Justitie heeft aangewezen als bevoegde autoriteit. Ook onder het huidige uitleveringsrecht heeft het Openbaar Ministerie een duidelijk omschreven rol bij de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon. Krachtens het nationale recht heeft Nederland ervoor gekozen om, in aansluiting daarop, de reeds bestaande rolverdeling tussen het Openbaar Ministerie en de Rechterlijke macht te laten voortduren. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank geen strijd op met het gestelde in artikel 12 van het Kaderbesluit. Ten aanzien van artikel 5 van het EVRM De raadsvrouw heeft in haar betoog aansluiting gezocht bij artikel 5, eerste lid, onder c. van het EVRM. De vrijheidsbeneming in het kader van de overleveringsprocedure valt echter onder het eerste lid, onder f. bepaalde. Nu het tweede lid van artikel 5 EVRM, inhoudende het onverwijld voorgeleiden voor een rechter of een andere magistraat die door wet bevoegd is rechterlijke macht uit te oefenen, beperkt is tot de in artikel 5, eerste lid, onder c genoemde gevallen, behoeft dit verweer in dit kader geen verdere bespreking. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat er ook geen sprake is van strijd met artikel 5, vierde lid van het EVRM, nu artikel 21, negende lid, van de Overleveringswet bepaalt, dat het bevel tot inverzekeringstelling te allen tijde zowel door de rechtbank te Amsterdam als door de officier van justitie te Amsterdam ambtshalve of op verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman, kan worden opgeheven. De gronden die tot de overleveringsdetentie hebben geleid, bestaan ook thans nog, zodat het verzoek om opheffing van de uitleveringsdetentie dient te worden afgewezen. B E S L I S S I N G: WIJST AF het verzoek tot opheffing van de detentie van de opgeëiste persoon. Deze beslissing is genomen op 3 september 2004 door mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter, mrs. F. Salomon en R. de Ruijter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema griffier.