Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AS4009

Datum uitspraak2005-01-20
Datum gepubliceerd2005-01-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/1885 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen objectieve gegevens waarmee wordt aangetoond of voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat eiser vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/1885 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 10 februari 2004, kenmerk JZ/F60/2004/0074, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 december 2004. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Blijkens de gedingstukken heeft eiser, die in 1922 is geboren te Batavia in het voormalige Nederlands-Indië, in september 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om hem als vervolgde voor een periodieke uitkering ingevolge de Wet in aanmerking te brengen. In dat verband heeft eiser gesteld dat hij als militair van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger vanaf het begin van de Japanse bezetting ongeveer 21 dagen in krijgs-gevangenschap in een kazerne in Buitenzorg heeft doorgebracht. Daarna wist hij te ontsnappen waarna hij zich tot het eind van de oorlog schuil zou hebben gehouden. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 3 juli 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Die vraag wordt door de Raad bevestigend beantwoord. Hiertoe acht de Raad doorslaggevend dat in het KSB- archief, het zogeheten Bandung-archief, geen gegevens omtrent eiser zijn gevonden terwijl de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, die de beschikking heeft over onder meer de archieven van Overzeese Pensioenen, evenmin gegevens omtrent eiser heeft aangetroffen die de gestelde internering van eiser zouden hebben kunnen bevestigen. Enkel in het Nefis-archief Buitenkantoor Batavia bevindt zich een dagrapport uit 1948 waarin de naam van eiser alias [naam alias] voorkomt met vermelding dat eiser voor de Japanse bezetting KNIL-militair was. Verder staan er geen gegevens in die het relaas van eiser zouden kunnen objectiveren dan wel een bevestiging vormen van de door hem gestelde vervolging. Objectieve gegevens die tot een ander oordeel moeten leiden, zijn ook anderszins niet aanwezig. Ook in de kampenlijst van Nederlands-Indië heeft verweerster geen vermel-ding gevonden van een kazerne in Buitenzorg die in gebruik zou zijn geweest als kamp voor krijgsgevangenen. Tegen deze achtergrond heeft verweerster naar het oordeel van de Raad op goede gronden de aanvraag van eiser afgewezen, aangezien niet voldoende aannemelijk is geworden dat hij vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2005. (get.) H.R. Geerling-Brouwer. (get.) E. Heemsbergen.