Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AS5091

Datum uitspraak2005-04-22
Datum gepubliceerd2005-04-22
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC04/068HR
Statusgepubliceerd


Indicatie

22 april 2005 Eerste Kamer Nr. C04/068HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], en 2. [Eiser 2], beiden wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. J.H.E. Wanrooij, t e g e n DE STICHTING WOONMAATSCHAPPIJ 'DE VONK', gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...


Conclusie anoniem

C04/068HR mr. Keus Zitting 4 februari 2005 Conclusie inzake 1. [eiseres 1] 2. [eiser 2] eisers tot cassatie (hierna: [eiser] c.s.) tegen de stichting Stichting Woonmaatschappij De Vonk verweerster in cassatie (hierna: De Vonk) [Eiser] c.s. hebben een woning gehuurd van De Vonk. Aan deze woning hebben zij veranderingen aangebracht. Deze veranderingen zijn niet door [eiser] c.s. voor het einde van de huur ongedaan gemaakt. De Vonk heeft na het einde van de huur voor het ongedaan maken van de veranderingen doen zorgdragen. In de onderhavige procedure vordert zij de kosten daarvan. In cassatie is in het bijzonder aan de orde of het bewijsoordeel van het hof in het eindarrest op ontoelaatbare wijze afwijkt van hetgeen het hof in zijn tussenarrest omtrent de stelplicht en bewijslast van De Vonk had overwogen. 1. Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan(1). (a) De Vonk heeft aan [eisers] verhuurd de woning [a-straat 1] te [plaats]. De woning is op 16 november 1999 ontruimd als gevolg van een huurachterstand waarvoor de kantonrechter Haarlem op 4 augustus 1999 een vonnis heeft gewezen. (b) Bij aanvang van de huur is geen beschrijving opgemaakt van de staat waarin de woning verkeerde. De woning is voorafgaand aan de ontruiming door [eiser] c.s. niet door De Vonk geïnspecteerd. (c) De woning verkeerde aan het eind van de huurovereenkomst niet in de oorspronkelijke staat; [eiser] c.s. hebben de woning in een andere kleur / andere kleuren geschilderd en daarin een doorgeefluik en een bad aangebracht. 1.2 Tegen deze achtergrond heeft De Vonk de onderhavige procedure aanhangig gemaakt en gevorderd dat [eiser] c.s. worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van f 20.253,32, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2000, en dat zij voorts worden veroordeeld in de kosten van het geding. De Vonk heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij van [eiser] c.s. een bedrag van f 17.170,53 terzake van mutatieschade (de kosten die gemaakt zijn om de woning in verhuurbare staat te brengen) heeft te vorderen. 1.3 [Eiser] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. In eerste aanleg hebben zij zich op het standpunt gesteld dat De Vonk toestemming voor de door hen aangebrachte wijzigingen aan het gehuurde had gegeven. De kantonrechter heeft bij vonnis van 27 juni 2001 [eiser] c.s. toegelaten te bewijzen dat zij toestemming voor het schilderen van de woning in de door hen gewenste kleuren, het aanbrengen van een doorgeefluik voor eten en het aanbrengen van een bad hadden gekregen. Bij eindvonnis van 6 maart 2002 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [eiser] c.s. niet in het hun opgedragen bewijs zijn geslaagd en heeft hij [eiser] c.s. tot betaling van een bedrag van € 9.190,56 veroordeeld. Van deze vonnissen hebben [eiser] c.s. hoger beroep bij het hof Amsterdam ingesteld. In appel hebben zij mede aangevoerd dat de door hen aangebrachte veranderingen bij het einde van de huur zonder noemenswaardige kosten konden worden ongedaan gemaakt en verwijderd. Zij hebben de omvang van de mutatieschade betwist en aangevoerd dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld de door hen aangebrachte wijzigingen zelf ongedaan te maken. In zijn arrest van 13 maart 2003 heeft het hof geoordeeld dat, waar [eiser] c.s. in appel mede hebben betwist dat met het herstel van de mutatieschade een bedrag van f 17.170,53 was gemoeid, het op de weg van De Vonk lag om alsnog bij akte aannemelijk te maken dat de schade op dat bedrag dient te worden gesteld. Na bewijslevering bij akte door De Vonk, waarop [eiser] c.s. bij antwoordakte hebben gereageerd, heeft het hof bij eindarrest van 6 november 2003 de vonnissen van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof heeft daartoe overwogen dat de door De Vonk overgelegde facturen gezamenlijk een zodanig inzicht in de aard van de verrichte werkzaamheden en de omvang daarvan geven dat het door De Vonk in hoofdsom opgevoerde bedrag van f 17.170,53 voldoende is onderbouwd (rov. 2.2). 1.4 [Eiser] c.s. hebben tijdig(2) beroep in cassatie van beide arresten ingesteld. De Vonk is in cassatie niet verschenen. Namens [eiser] c.s. is het cassatieberoep schriftelijk toegelicht door hun advocaat. 2. Ontvankelijkheid Tegen het tussenarrest van 13 maart 2003 zijn geen klachten gericht, zodat [eiser] c.s. in zoverre niet in hun cassatieberoep kunnen worden ontvangen. 3. Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel richt zich tegen rov. 2.3 van het eindarrest van 6 november 2003 in samenhang met rov. 4.10 van het tussenarrest van 13 maart 2003. Rov. 4.10 van het tussenarrest luidt: "Het hof is hiertoe van oordeel als volgt. Van de gevorderde mutatieschade is geen specificatie overgelegd. Waar [eiser] c.s. thans betwisten dat met het herstel van die schade een bedrag van f 17.170,53 was gemoeid, ligt het op (de) weg van De Vonk alsnog bij akte aannemelijk te maken dat de schade op dat bedrag dient te worden gesteld. Daarbij zal zij dan per onderdeel dienen aan te geven waaruit de schade precies bestond en dat zij binnen redelijke grenzen daarvoor de opgevoerde kosten heeft moeten maken. Tevens kan zij zich per onderdeel erover uitlaten of [eiser] c.s. na gehouden voorinspectie de schade zelfstandig hadden kunnen herstellen; zo ja voor welk bedrag en zo neen waarom niet. Vervolgens zullen [eiser] c.s. hierop bij antwoordakte kunnen reageren." 3.2 De Vonk heeft daarop bij akte een negental facturen overgelegd, betrekking hebbende op door aannemingsbedrijf [A] B.V. aan de door [eiser] c.s. gehuurde woning verrichte werkzaamheden. Het totaal van deze facturen bedraagt f 17.170,53. De Vonk heeft in deze akte nog het volgende gesteld: "2. De omvang van de vordering laat zich verklaren door de ingrijpende verbouwingen die door de huurder in de woning zijn uitgevoerd. Huurder was (is) een religie toegedaan die hem noopt tot het inrichten van zijn woning - met name de woonkamer - als ware het een tempel. In dat verband zijn alle wanden, muren en plafonds bewerkt en zijn er bogen aangebracht op plaatsen waar oorspronkelijk deuren zaten. Ook zijn wanden gesloopt en elders weer opgebouwd. Om dezelfde religieuze motieven is een bad aangebracht, niet op de vloer zoals gebruikelijk maar zwevend; evenzeer anders dan gebruikelijk is daarvoor niet de badkamer als locatie gebruikt maar de keuken. Om de entree te laten voldoen aan de religieuze eisen heeft huurder in de voordeur een aquarium aangebracht." [Eiser] c.s. hebben met een antwoordakte op de akte van De Vonk gereageerd. In deze akte hebben zij zich op het standpunt gesteld buiten staat te zijn verweer te voeren tegen hetgeen De Vonk naar voren heeft gebracht, nu De Vonk heeft nagelaten per onderdeel aan te geven waaruit de schade precies bestaat en evenzeer heeft nagelaten te onderbouwen dat zij binnen redelijke grenzen de daarvoor opgevoerde kosten heeft moeten maken. Ook is De Vonk, zo hebben [eiser] c.s. in hun antwoordakte betoogd, niet ingegaan op de vraag of [eiser] c.s. na gehouden voorinspectie de schade zelfstandig hadden kunnen herstellen en zo ja, voor welk bedrag, en zo neen, waarom niet. 3.3 Bij eindarrest heeft het hof in de rov. 2.2-2.3 als volgt geoordeeld: "2.2 (...) Gezamenlijk geven deze facturen zodanig inzicht in de aard van de verrichte werkzaamheden en de omvang daarvan dat thans kan worden gezegd dat het door De Vonk in hoofdsom opgevoerde bedrag van f 17.170,53 voldoende is onderbouwd. 2.3 Weliswaar heeft zij zich niet per onderdeel van de werkzaamheden erover uitgelaten of [eiser] c.s. deze zelf hadden kunnen uitvoeren, indien [eiser] c.s. hun standpunt hadden willen handhaven dat het om betrekkelijk geringe werkzaamheden ging, die zij zelf - tegen lagere kosten - hadden kunnen (doen) verrichten, dan had het op hun weg gelegen bij antwoordakte gespecificeerd aan te geven welke van de gefactureerde werkzaamheden - tegen welke kosten - zij daarbij op het oog hebben. Het hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat [eiser] c.s. niet (voldoende) hebben weersproken dat zij de woning hadden ingericht als ware deze een tempel en dat alle wanden, muren en plafonds waren bewerkt, bogen waren aangebracht in de plaats van deuren, wanden waren gesloopt en elders opgebouwd, in de keuken een zwevend bad was aangebracht en in de voordeur een aquarium". 3.4 Het middel betoogt dat deze overwegingen onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig zijn, nu toch door ditzelfde hof wordt erkend dat De Vonk in gebreke is gebleven een specificatie te geven van de door haar gestelde mutatieschade en de vragen te beantwoorden die het hof stelde. Van [eiser] c.s. kon, gezien de beperkte onderbouwing door De Vonk, niet worden gevergd - zoals het hof heeft gedaan - dat zij zich nader over de op de betreffende facturen voorkomende werkzaamheden en bedragen uitlieten. 3.5 In de kern lijkt het middel erover te klagen dat het hof in zijn tussenarrest verdergaande eisen aan de op De Vonk rustende stelplicht ter zake van de (omvang van de) mutatieschade stelde dan het aan zijn oordeel in het eindarrest ten grondslag heeft gelegd. Voor zover het onderdeel beoogt aldus aan de orde te stellen dat het hof was gebonden aan hetgeen het in rov. 4.10 van zijn tussenarrest van 13 maart 2003 had overwogen, faalt het. Het hof heeft in die rechtsoverweging slechts aangegeven waarover De Vonk zich bij akte nader diende uit te laten. Het nam daarmee niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een beslissing die aan enig (juridisch of feitelijk) geschilpunt onvoorwaardelijk een einde maakte. Van een bindende eindbeslissing is geen sprake(3). Ik lees rov. 4.10 van het tussenarrest aldus, dat daarin sprake is van aanwijzingen van voorlopige aard(4), die zijn bedoeld om richting te geven aan het toekomstige debat, maar niet om enig geschilpunt (definitief) te beslechten. In rov. 4.10 van het tussenarrest ligt niet besloten dat de vordering van De Vonk niet voor toewijzing vatbaar is, als De Vonk zich niet over alle daarin genoemde aspecten zou (kunnen) uitlaten. 3.6 Het stond het hof derhalve vrij om, niettegenstaande hetgeen het in rov. 4.10 van het tussenarrest had overwogen, bij eindarrest de (omvang van de) mutatieschade waarvan De Vonk vergoeding vordert, op grond van de door De Vonk overgelegde facturen en hetgeen De Vonk bij haar akte nader over aard en omvang van de door [eiser] c.s. in de woning aangebrachte wijzigingen had gesteld, als vaststaand aan te nemen. Overigens geldt dat het hof aan zijn oordeel in het eindarrest ten grondslag heeft gelegd dat [eiser] c.s. de nadere stellingen van De Vonk over aard en omvang van de aangebrachte wijzigingen niet hebben betwist en evenmin nader hebben gespecificeerd welke werkzaamheden zij zelf (tijdig) voor lagere kosten hadden kunnen (doen) uitvoeren. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat de door De Vonk overgelegde facturen en hetgeen De Vonk nader over aard en omvang van de door [eiser] c.s. aangebrachte wijzigingen heeft gesteld, ook in die zin voldoende inzicht in de aard van de verrichte werkzaamheden en de omvang daarvan boden, dat zij [eiser] c.s., indien zij hun verweer hadden willen handhaven dat het om betrekkelijk geringe werkzaamheden ging die zij zelf (tijdig) tegen lagere kosten hadden kunnen (doen) uitvoeren, voldoende aanknopingspunten voor een nadere en feitelijk geadstrueerde betwisting boden. 3.7 In het middel lees ik geen op het huurrecht gestoelde klachten tegen de toewijzing van de door De Vonk gevorderde vergoeding van de mutatieschade. Weliswaar gaan [eiser] c.s. in hun schriftelijke toelichting in op de betekenis van het achterwege laten van een eindinspectie door de verhuurder bij het einde van de huur, maar in zoverre is sprake van een nieuwe klacht die niet voor het eerst bij schriftelijke toelichting naar voren kan worden gebracht. 3.8 Ten overvloede merk ik nog op dat de Hoge Raad in het arrest van 27 november 1998, NJ 1999, 380, m.nt. PAS, als volgt heeft geoordeeld: "3.3 (...) De rechtbank heeft geoordeeld dat, de functie van een voorafgaande inspectie in aanmerking genomen, in dit geval niet alle door de woningbouwvereniging gemaakte herstelkosten als schadevergoeding van [...] kunnen worden gevorderd, maar slechts die kosten die [...] zelf had moeten maken om de woning in goede staat op te leveren. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen andere motivering." Uit dit arrest wordt wel afgeleid(5) dat bij het ontbreken van een inspectie vóór ontruiming slechts vergoeding kan worden gevorderd van de kosten die de huurder zelf voor oplevering in goede staat had moeten maken. Alhoewel vaststaat dat in het onderhavige geval voor de ontruiming geen inspectie heeft plaatsgevonden, is het oordeel van het hof naar mijn mening niet met het genoemde - en aldus opgevatte - arrest in strijd, nu in het oordeel van het hof ligt besloten dat aard en omvang van de door De Vonk gestelde veranderingen meebrachten dat [eiser] c.s. deze veranderingen niet zelf (tijdig) voor een lager bedrag ongedaan hadden kunnen maken, althans dat [eiser] c.s. - in het licht van hetgeen De Vonk bij haar akte had aangevoerd - onvoldoende hebben gesteld om aannemelijk te maken dat zij dat wèl zouden hebben gekund. Dit oordeel geeft niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk, is niet onbegrijpelijk en behoefde in het licht van het partijdebat geen andere motivering(6). 4. Conclusie De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep voor zover dit tegen het tussenarrest van 13 maart 2003 is gericht, en tot verwerping van hun beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal 1 Rov. 3 van het tussenarrest van 13 maart 2003, waarin het hof mede naar het tussenvonnis van de kantonrechter Haarlem van 27 juni 2001 heeft verwezen. 2 Het bestreden eindarrest dateert van 6 november 2003; de cassatiedagvaarding is op 6 februari 2004 uitgebracht. 3 Zie over het leerstuk van de bindende eindbeslissing HR 30 juni 1989, NJ 1990, 382, m.nt. JBMV. Zie ook HR 19 juni 1998, NJ 1999, 288, m.nt. WMK en HR 8 juni 2001, NJ 2001, 433, waaruit volgt dat het toelaatbaar is dat wordt terugkomen op een beslissing tot het inwinnen van een deskundigenbericht. 4 Vgl. HR 11 mei 1990, NJ 1990, 542. 5 Dozy/Jacobs, Hoofdstukken huurrecht (1999), p. 122-123; zie ook de noot van P.A. Stein onder het arrest. 6 Vgl. hetgeen Stein opmerkt in zijn noot: "Wordt de woning in erbarmelijke toestand opgeleverd, zodat de huurder deze niet met eigen middelen had kunnen herstellen, is het ontbreken van een voorafgaande gezamenlijke inspectie evenwel niet van belang."


Uitspraak

22 april 2005 Eerste Kamer Nr. C04/068HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], en 2. [Eiser 2], beiden wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. J.H.E. Wanrooij, t e g e n DE STICHTING WOONMAATSCHAPPIJ 'DE VONK', gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: De Vonk - heeft bij exploot van 28 februari 2001 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - gedagvaard voor de kantonrechter te Haarlem en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan De Vonk te betalen een bedrag van ƒ 20.253,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 december 2000 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [eiser] c.s. in de kosten van dit geding. [Eiser] c.s. heeft de vordering bestreden. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 27 juni 2001 [eiser] c.s. tot bewijslevering toegelaten. Na getuigenverhoor heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 6 maart 2002 [eiser] c.s. veroordeeld om aan De Vonk te betalen een bedrag van € 9.190,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 december 2000 tot het moment van de algehele voldoening, [eiser] c.s. in de proceskosten aan de zijde van De Vonk veroordeeld, dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen. Tegen beide vonnissen van de kantonrechter hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij tussenarrest van 13 maart 2003 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van De Vonk en bij eindarrest van 6 november 2003 de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd. Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen beide arresten van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen de niet verschenen De Vonk is verstek verleend. [Eiser] c.s. hebben de zaak doen toelichten door hun advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep, voor zover dit is gericht tegen het tussenarrest van 13 maart 2003, en tot verwerping van hun beroep voor het overige. 3. Beoordeling van de middelen De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van De Vonk begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 22 april 2005.