
Jurisprudentie
AS5240
Datum uitspraak2005-05-13
Datum gepubliceerd2005-05-13
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC03/308HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-05-13
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC03/308HR
Statusgepubliceerd
Indicatie
13 mei 2005 Eerste Kamer Nr. C03/308HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. CORDIS EUROPA N.V., 2. CORDIS B.V., beide gevestigd te Roden, EISERESSEN tot cassatie, advocaat: mr. C.J.J.C. van Nispen, t e g e n de rechtspersoon naar Israëlisch recht MEDINOL LIMITED, gevestigd te Tel Aviv, Israël, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Conclusie anoniem
Rolnr. C03/308HR
Mr D.W.F. Verkade
Zitting 28 januari 2005
Conclusie inzake
1. Cordis Europa NV
2. Cordis BV
tegen
Medinol Ltd.
1. Inleiding
1.1. Na een door het gerechtshof aan thans-eiseressen tot cassatie (hierna Cordis c.s.) bij wijze van provisionele voorziening opgelegd verbod om octrooi-inbreuk te plegen, klaagt het cassatiemiddel over 's hofs uitleg van het desbetreffende Europees octrooi en de daarbij toegekende rol aan de verleningsgeschiedenis.
1.2. Het octrooi in kwestie is evenwel, na het bestreden arrest en nadat het geding in cassatie aanhangig was gemaakt, op 31 maart 2004 herroepen. Daarmee is prealabel de vraag aan de orde gekomen of Cordis c.s. nog ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep.
2. Feiten(1) en procesverloop
2.1. Voor zover in cassatie van belang, kan van het volgende worden uitgegaan.
2.2. Aan verweerster in cassatie (hierna: Medinol) is op 9 september 1998 het Europees octrooi EP 0 762 856 (hierna: het octrooi), met gelding in onder meer Nederland, verleend voor een "flexible expandable stent". Stents zijn (kort gezegd) kleine protheses die worden gebruikt om vernauwde (hart)vaten te verwijden en open te houden.
2.3. Tegen het verleende octrooi is bij het Europees Octrooibureau oppositie ingesteld.
2.4. Cordis c.s. brengen sinds 1999 zogenaamde BX Velocity-stents op de markt, die naar het oordeel van Medinol inbreuk maken op het octrooi.
2.5. Bij inleidende dagvaarding van 24 maart 2000 heeft Medinol (toen tezamen met andere eiseressen) Cordis c.s. (toen tezamen met nog meer gedaagden) in versneld regime gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en, voor zover thans in cassatie van belang, gevorderd Cordis c.s. te verbieden inbreuk te maken op het octrooi en hen te veroordelen tot schadevergoeding en/of winstafdracht, met nevenvorderingen. Daarnaast vorderden zij bij wijze van provisionele voorziening een inbreukverbod versterkt met dwangsommen. Op deze incidentele vordering heeft het onderhavige geding in cassatie betrekking.
2.6. Bij provisioneel vonnis van 14 maart 2001 heeft de rechtbank de provisionele vorderingen afgewezen.
2.7. Medinol is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof te 's-Gravenhage. Met succes, want bij arrest van 3 juli 2003, verbeterd bij arrest van 10 juli 2003, heeft het hof het provisionele vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, Cordis c.s. - kort gezegd - verboden om vanaf 48 uur na betekening en na zekerheidsstelling door Medinol, inbreuk te maken op het octrooi totdat een einduitspraak is gedaan in de hoofdzaak dan wel door de Technische Kamer van Beroep van het Europees Octrooibureau in het beroep van de beslissing van de oppositieafdeling, zulks op straffe van een dwangsom. Het hof bepaalde de door Medinol te stellen zekerheid op € 10.000.000,-.
2.8. Bij exploit van 28 augustus 2003 zijn Cordis c.s. op de voet van art. 401a lid 1 Rv. (tijdig) in cassatie gekomen tegen 's hofs arrest met een middel dat zich keert tegen 's hofs uitleg van het octrooi en tegen overwegingen over de rol van de verleningsgeschiedenis bij die uitleg.
2.9. Medinol heeft voor antwoord geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Cordis c.s. in hun cassatieberoep, subsidiair tot verwerping daarvan.
3. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1. Volgens Medinol kunnen Cordis c.s. bij gebrek aan belang niet in hun cassatieberoep worden ontvangen omdat, zo stelt Medinol bij conclusie van antwoord, het 'bestreden arrest, voor zover daarin nadelig voor hen is beslist, zijn betekenis geheel heeft verloren,' aangezien Medinols octrooi op 31 maart 2004 (na het bestreden arrest en nadat het geding in cassatie aanhangig was gemaakt) door de Technische Kamer van Beroep van het Europees Octrooibureau geheel en definitief is herroepen, terwijl Medinol uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk afstand heeft gedaan van de door de rechtbank en het hof aan haar ten laste van Cordis c.s. toegewezen proceskosten, en zij zich voorts bereid heeft verklaard om de door de rechtbank en het hof ten gunste van Cordis c.s. toegewezen proceskosten alsmede alle eventueel te liquideren proceskosten van Cordis c.s. in het onderhavige geding in cassatie vrijwillig en integraal aan Cordis c.s. te voldoen.
3.2. Cordis c.s. hebben de herroeping van het octrooi en Medinols opstelling ten aanzien van de proceskosten uitdrukkelijk bevestigd.
3.3. Ik stel voorop dat de Hoge Raad in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep acht kan slaan op de (nieuwe) omstandigheid dat het octrooi is herroepen. Art. 419 Rv. is immers niet van toepassing waar het gaat om de vraag of ontwikkelingen die zich na de bestreden uitspraak hebben voorgedaan aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de weg staan (vgl. HR 26 april 2002, NJ 2002, 324, rov. 4.2).
3.4. De einduitspraak van Technische Kamer van Beroep van 31 maart 2004 is definitief en treft het gehele octrooi. Door deze uitspraak is het provisionele verbod, conform het dictum van het bestreden arrest, vanaf die datum geëindigd. Ten aanzien van de periode tussen het ingangstijdstip van het verbod tot 31 maart 2004 geldt dat de herroeping van het octrooi terugwerkende kracht heeft; zie art. 50 Rijksoctrooiwet 1995 (ROW) en art. 68 Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, Trb. 1975, 108 (EOV). Het octrooi wordt geacht van de aanvang af geen rechtsgevolg te hebben gehad. Derhalve is de bodem onder 's hofs bestreden arrest weggeslagen; het verbod was, achteraf bezien, 'op lucht gebouwd'. Ten overvloede merk ik op dat art. 50 lid 2 ROW niet van toepassing is.
3.5. Medinol heeft de consequenties hiervan onder ogen gezien. Zowel bij conclusie van antwoord als in de namens haar gegeven schriftelijke toelichting is zijdens Medinol gesteld dat het 'bestreden arrest, voor zover daarin nadelig voor hen [Cordis c.s.] is beslist, zijn betekenis geheel heeft verloren'. In haar schriftelijke toelichting van 25 juni 2004 (onder 3.1) heeft zij daar nog aan toegevoegd dat haar opstelling meebrengt dat Cordis c.s. geen rechtens te respecteren belang meer hebben bij het voortzetten van het cassatieberoep.
3.6. Dit een en ander laat zich niet anders verstaan dan dat Medinol onvoorwaardelijk en onherroepelijk afstand heeft gedaan van alle rechten die zij (nog) zou kunnen ontlenen aan het bestreden arrest.
Bijgevolg hebben Cordis c.s. geen belang bij haar beroep in cassatie omdat het bestreden arrest niet tegen Cordis c.s. ten uitvoer gelegd zal kunnen worden (vgl. HR 11 februari 2000, NJ 2000, 238, rov. 3.2).
3.7. Dat Medinol deze afstand heeft gedaan ligt, gelet op de herroeping van haar octrooi, natuurlijk alleszins voor de hand. Voor wat betreft de proceskosten heeft Medinol de afstand van haar aanspraken ook specifiek aangegeven.
In hun conclusie van repliek stellen Cordis c.s. evenwel dat de advocaat van Medinol in een brief van 7 juni 2004 aan de advocaat van Cordis c.s. zou hebben meegedeeld dat Medinol slechts bereid is toe te zeggen geen aanspraak te doen op eventueel te incasseren dwangsommen, indien Cordis c.s. toezeggen geen/niet langer schadevergoeding ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest te vorderen. Volgens Cordis c.s. blijkt hieruit dat Medinol geen afstand zou willen doen van verbeurde dwangsommen.
Zou aan dit draadje nog een resterend belang van Cordis c.s. bij hun cassatieberoep hangen?
3.8. Medinol heeft op deze stellingen niet meer op kunnen reageren, zodat de juistheid ervan niet kan worden beoordeeld. Die juistheid kan echter in het midden blijven, nu Medinol in haar schriftelijke toelichting van 25 juni 2004 (onder 3.1) - derhalve ná de beweerdelijke brief van 7 juni 2004 - aan haar eerdere stellingname heeft toegevoegd dat haar opstelling meebrengt dat Cordis geen rechtens te respecteren belang meer heeft bij het voortzetten van het cassatieberoep. De afstandsverklaring moet derhalve worden geacht volledig te zijn en dus ook mogelijke aanspraken op dwangsommen te omvatten. Anders zouden Cordis c.s. immers nog wél een rechtens te respecteren belang hebben bij hun cassatieberoep.
3.9. Overigens merk ik ten overvloede op dat eventuele tenuitvoerlegging van het arrest c.q. incasso van eventueel verbeurde dwangsommen kansloos zou zijn. Zou dat aan de orde zijn, dan levert dat in de gegeven omstandigheden misbruik van executiebevoegdheid op, en de rechter in een executiegeschil zal de staking van de executie gelasten (vgl. HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 nt. WHH; H. Oudelaar, Civielrechtelijke executiegeschillen, diss. 1992, blz. 271 e.v.; P. Rodenburg, Misbruik van bevoegdheid, Mon. NBW A4, nr. 26; H.J. Snijders, M. Ynzonides en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht (2002), nr. 428 met verdere jurisprudentieverwijzigingen.
3.10. Zou Uw Raad van oordeel zijn dat Cordis c.s. toch ontvankelijk zouden zijn in hun cassatieberoep, en zou op basis van de cassatiemiddelen alsnog een beoordeling dienen plaats te hebben van 's hofs uitleg van het - inmiddels herroepen - octrooi in zijn rov. 6.3, 6.4, 6.5 en 6.6, alsmede van de door het hof in rov. 7 aan de betekenis van het verleningsdossier gewijde beschouwingen, dan houd ik mij op afroep beschikbaar om daarover aanvullend te concluderen.
4. Conclusie
Mijn conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van Cordis c.s. in hun beroep.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Ontleend aan rov. 4.1-4.5 van het bestreden arrest alsmede rov. 1.1-1.4 van het vonnis van de rechtbank van 14 maart 2001.
Uitspraak
13 mei 2005
Eerste Kamer
Nr. C03/308HR
RM/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. CORDIS EUROPA N.V.,
2. CORDIS B.V.,
beide gevestigd te Roden,
EISERESSEN tot cassatie,
advocaat: mr. C.J.J.C. van Nispen,
t e g e n
de rechtspersoon naar Israëlisch recht MEDINOL LIMITED,
gevestigd te Tel Aviv, Israël,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: Medinol - heeft tezamen met twee andere vennootschappen bij exploten van 24 maart 2000 eiseressen tot cassatie - verder te noemen: Cordis c.s. - en dertien andere vennootschappen in versneld regime gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage. Voorzover in cassatie van belang hebben zij gevorderd Cordis c.s. te verbieden inbreuk te maken op het Europees octrooi EP 0 762 856 en hen te veroordelen tot schadevergoeding en/of winstafdracht, met nevenvorderingen. Hiernaast hebben eiseressen bij wijze van provisionele voorziening gevorderd Cordis c.s. en de andere gedaagden te verbieden inbreuk te maken op het onderhavige octrooi, zulks op straffe van dwangsommen.
Nadat de dertien andere vennootschappen niet waren verschenen heeft de rechtbank bij beschikking van 27 juni 2000 eiseressen in de gelegenheid gesteld ter zake van de bij de dagvaarding gevorderde provisionele voorziening een incidentele conclusie van eis te nemen.
Bij incidentele conclusie van eis van 26 november 2000 hebben eiseressen bovengenoemde provisionele vorderingen ingesteld. Cordis c.s., tezamen met de overige gedaagden, hebben de provisionele vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 14 maart 2001 de provisionele vorderingen afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft Medinol (tezamen met de twee andere vennootschappen die als eiseressen in prima waren opgetreden) hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 3 juli 2003, verbeterd bij arrest van 10 juli 2003, heeft het hof, voorzover in cassatie van belang, het provisionele vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, Cordis c.s. verboden vanaf 48 uur na betekening en na zekerheidstelling door Medinol, inbreuk te maken op het octrooi totdat een einduitspraak is gedaan in de hoofdzaak dan wel door de Technische Kamer van Beroep van het Europees Octrooibureau in het beroep van de beslissing van de oppositieafdeling, op straffe van betaling door de betrokken vennootschap aan Medinol van een dwangsom van € 40.000,-- per overtreding door die vennootschap, of € 4.000,-- voor iedere inbreukmakende stent waarmee de betrokken vennootschap het verbod zal hebben overtreden. Het hof heeft voorts bepaald dat Medinol voor het inbreukverbod ten behoeve van Cordis zekerheid zal stellen ten bedrage van € 10.000.000,--. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben Cordis c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Medinol heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Cordis c.s. in hun cassatieberoep, subsidiair tot verwerping daarvan.
De zaak is voor Cordis c.s. toegelicht door hun advocaat en voor Medinol door mr. L. Oosting, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van Cordis c.s. in hun beroep.
De advocaat van Cordis c.s. heeft bij brief van 11 februari 2005 op die conclusie gereageerd. Bij brief van dezelfde datum heeft mr. L. Oosting, advocaat te Amsterdam, namens Medinol op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 Het cassatieberoep is gericht tegen een provisionele uitspraak van het hof, waarin het hof aan Cordis c.s. het hiervóór onder 1 weergegeven verbod van inbreuk op een octrooi van Medinol heeft opgelegd. Aan overtreding van dit verbod zijn dwangsommen verbonden.
3.2 Medinol heeft in haar conclusie van antwoord gesteld dat Cordis c.s. bij gebreke van (nog resterend) belang bij hun cassatieberoep daarin niet ontvankelijk zijn, omdat het daarbij bestreden arrest, voorzover daarin nadelig voor hen is beslist, zijn betekenis geheel heeft verloren, aangezien het litigieuze octrooi van Medinol (EP 856) door de Technische Kamer van Beroep van het Europees Octrooibureau op 31 maart 2004 is herroepen, terwijl Medinol inmiddels uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk afstand heeft gedaan van de door rechtbank en hof aan haar ten laste van Cordis c.s. toegewezen proceskosten en Medinol zich voorts bereid heeft verklaard om zowel de door rechtbank en hof ten gunste van Cordis c.s. toegewezen proceskosten als alle eventueel te liquideren proceskosten van Cordis c.s. in deze cassatieprocedure vrijwillig en integraal aan hen te voldoen. In de namens haar door mr. Oosting gegeven schriftelijke toelichting wordt deze stelling herhaald en wordt daaraan toegevoegd dat Cordis c.s. dientengevolge geen rechtens te respecteren belang meer hebben tot het voortzetten van het cassatieberoep. Voorts wordt nog opgemerkt dat naar het oordeel van Medinol voortzetting van de cassatieprocedure onnodige kosten meebrengt terwijl geen van de partijen in de onderhavige procedure baat zal hebben bij een uitspraak van de Hoge Raad.
Cordis c.s. hebben in de schriftelijke toelichting van hun advocaat ten aanzien van de vraag welk belang zij met handhaving van hun cassatieberoep nastreven, erop gewezen
(1) dat door de Hoge Raad nog niet is beslist of herroeping van een octrooi de werking aan een provisioneel inbreukverbod ex nunc of ex tunc ontneemt;
(2) dat zij Medinol hebben gevraagd of deze bereid was afstand te doen van alle rechten welke zij pretendeert aan het bestreden arrest van het hof te ontlenen, met name pretense aanspraken op verbeurde dwangsommen wegens niet nakoming van het daarbij opgelegde inbreukverbod, en dat Medinol hiertoe niet bereid was.
Mr. Oosting heeft in zijn dupliek niet op deze stellingen gereageerd. De advocaat van Cordis c.s. heeft in zijn repliek nadere gegevens verstrekt over de correspondentie betreffende het onder (2) bedoelde punt; deze dateert grotendeels van na de conclusie van antwoord. De advocaat van Cordis c.s. concludeert uit deze correspondentie, in het bijzonder een brief van mr. Oosting aan hem van 7 juni 2004, dat Medinol nog rechten - met name op verbeurde dwangsommen - aan het arrest van het hof meent te kunnen ontlenen en daarvan expliciet geen afstand wil doen. Op grond daarvan heeft hij na ontvangst van deze brief de rolrechter doen weten, dat Cordis c.s. belang hebben bij voortzetting van het cassatieberoep.
De Advocaat-Generaal heeft in de punten 3.5-3.8 van zijn conclusie als zijn oordeel gegeven, dat de hiervóór weergegeven stellingen van Medinol in de conclusie van antwoord en in de schriftelijke toelichting van mr. Oosting zich niet anders laten verstaan dan dat Medinol onvoorwaardelijk en onherroepelijk afstand heeft gedaan van alle rechten die zij (nog) zou kunnen ontlenen aan het bestreden arrest.
De advocaat van Cordis c.s. heeft in zijn brief van 11 februari 2005 te kennen gegeven dat Cordis c.s. inderdaad geen belang meer hebben bij hun cassatieberoep, indien de Hoge Raad tot het oordeel zou komen dat Medinol afstand heeft gedaan van haar aanspraken op beweerdelijk verbeurde dwangsommen.
In zijn brief van 11 februari 2005 merkt mr. Oosting namens Medinol in reactie hierop het volgende op:
"Uit de schriftelijke toelichting (onder 3.1) blijkt duidelijk van welke rechten Medinol ten opzichte van eiseressen tot cassatie (hierna: "Cordis c.s.") afstand heeft gedaan. De afstandsverklaring van Medinol omvat niet meer of minder dan hetgeen daar door Medinol is gesteld.
Overigens doet dit er niet aan af dat Cordis c.s. belang bij het voortzetten van het cassatieberoep missen."
3.3 Uit het voorgaande blijkt dat Medinol zich herhaaldelijk en weloverwogen op het standpunt heeft gesteld dat Cordis c.s. belang bij het voortzetten van het cassatieberoep missen. Tegen de achtergrond van hetgeen Cordis c.s. hebben gesteld omtrent het belang bij voortzetten van het geding in cassatie, welke stelling erop neerkomt dat zodanig belang eerst ontbreekt indien Medinol tevens afstand doet van alle pretense aanspraken op verbeurde dwangsommen wegens niet nakomen van het bij het bestreden arrest opgelegde verbod, kan aan deze verklaring redelijkerwijze geen andere betekenis toekomen dan dat Medinol jegens Cordis c.s. onvoorwaardelijk en onherroepelijk afstand heeft gedaan van alle rechten die zij meent nog te kunnen ontlenen aan de bestreden uitspraak.
3.4 Mede in aanmerking genomen de door Medinol gedane toezeggingen ten aanzien van de proceskosten, brengt het in 3.3 overwogene mee dat Cordis c.s. geen belang meer hebben bij hun cassatieberoep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart Cordis c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep;
veroordeelt Cordis c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Medinol begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 13 mei 2005.

